Oorlog spelen

Weer een stukje in de serie ‘Ahmad vertelt over zijn leven’.

De 70er jaren waren de zwaarste jaren van het Franco-regime. De staat verzwakte door studentenprotesten, arbeidersstakingen en de mobilisatie van mensen uit de wijken, die streden voor betere stedelijke omstandigheden. Aan die mobilisaties heb ik deelgenomen. Ik deed mee aan deze strijd. Ik streed in mijn buurt voor de verbetering van groene openbare ruimtes zoals parken of tuinen, voor betere communicatie en voor culturele verbeteringen.

Ik werkte in de bouw en het werk was niet alleen zwaar, maar ook was men erg oneerlijk wat betreft loon en arbeidsomstandigheden. Wij waren, zoals de meeste bouwvakkers in Catalonië, immigranten. Er bestond een onderlinge verwantschap onder ons. Maar aangezien vakbonden niet legaal waren, werd elke vorm van arbeidersorganisatie vervolgd door de politie en veroordeeld door de rechtbanken. Er waren twee vakbonden, die gedoogd werden hoewel niet gelegaliseerd, en die twee vakbonden waren de UGT, verbonden aan de Socialistische Partij, en de Arbeiderscommissie, verbonden aan de Communistische Partij. Omdat veel arbeiders inzagen dat deze vakbonden vooral gehoorzaamden aan de richtlijnen van de politieke partijen (die overigens ook illegaal waren) meer dan aan de belangen van de arbeiders, organiseerden we in veel fabrieken autonome vakbonden, waar de arbeidersvergadering soeverein was. En terwijl wij dus buiten de andere vakbonden opereerden, waren degenen die wel in de gedoogde vakbonden opereerden in veel gevallen medeplichtig aan de Franco-politie.

Toch waren sommigen van ons vastbesloten om te vechten voor betere omstandigheden op het werk en in de wijken. Op het werk en in elke buurt was daar de prioriteit om te vechten voor de behoeften op elk werk, in elke fabriek en in elke buurt, en in de vergaderingen werd in elke fabriek en elke buurt een lijst met wensen opgesteld die we zouden eisen. En toen deze lijsten eenmaal waren gemaakt, kwamen de verschillende buurten, bouwplaatsen en fabrieken samen om een ​​gemeenschappelijke lijst te maken. Zo vormde de strijd in elke buurt, elk werk of elke fabriek de basis van een meer algemene strijd.

Omdat al dit werk publiciteit vereiste, hadden we instrumenten nodig om de documenten en folders te produceren, waarin we de situatie aan de mensen uitlegden en opriepen tot de strijd, en daarvoor hadden we drukmachines nodig. Een tijdlang waren we bezig met het bouwen van een zeer rudimentaire drukpers, ‘Vietnamees’ genaamd. Ik weet niet waarom hij zo heette. Toen de organisatie van de strijd zich uitbreidde en algemener werd, waren er andere soorten, productievere en modernere machines nodig.

Aangezien het regime een meedogenloze vervolging handhaafde van elke organisatie die opkwam voor de rechten van arbeiders, haar media en propaganda, was er maar één manier om aan drukmachines te komen: onteigening of diefstal.

Omdat het zo gevaarlijk was om drukmachines te stelen, waren alleen de meest gedurfden en moedigen van ons in staat om dat werk uit te voeren. In de organisaties moesten we ook degenen kiezen die we het meest vertrouwden. Wanneer één van ons door de politie gearresteerd zou worden en hij niet in staat zou zijn om druk en marteling te weerstaan, zou dat kunnen leiden tot de opsluiting van veel anderen van ons. Ik maakte deel uit van de groep die verantwoordelijk was voor de ‘onteigening’. Het team was als volgt verdeeld: de uitvoerders hadden de volgende drie rollen; de bewakers die moesten nagaan wat het beste tijdstip was om te gaan stelen en de mensen die in de gekozen uren de onteigening moesten uitvoeren; en ten derde was er een juridische dekking, die bestond uit een aantal advocaten die te allen tijde op de hoogte werden gehouden van de situatie;  en dan was er nog de infrastructuur van het vervoer en het verbergen van de machines op een veilige plaats. Elke groep wist niet wie in de andere groepen zat. Dit om te voorkomen dat de ene groep de andere zou kennen en kunnen verraden bij eventuele arrestatie. En natuurlijk hadden we allemaal gewijzigde namen.

De nacht dat er actie werd ondernomen, moest een van ons een busje stelen voor het eerste transport van de machine. En vervolgens, zodra de bestelwagen was gejat, moesten we snel de winkel binnen waar de machines werden verkocht, de machines inladen en zo snel mogelijk vertrekken. Ik herinner me dat het openen van de deur, het pakken van de machines en het laden ervan ons hoogstens drie minuten moet hebben gekost. Maar het waren drie minuten die uren leken. Zenuwen en angst zorgden ervoor dat de tijd rekte als een elastiekje. Met de machines in het busje moesten we het busje naar een huis rijden waar we het busje met de machines erin moesten achterlaten. Andere mensen moesten het busje met de machines ophalen en naar een veilige plaats te brengen. Toen onze missie was afgelopen, keerden we allemaal naar huis terug. En zo speelden we een subversieve oorlog voor de rechten van arbeiders en voor een rechtvaardiger samenleving.

11. Werk zoeken

Dagloners, wachtend op de ‘heer’

In de dorpen moesten dagloners al sinds ver terug in de geschiedenis op het dorpsplein wachten tot de ‘heren’ kwamen om te kiezen wie die dag op hun velden mocht werken. Dat werk gaf geen garantie hoe lang de werkdag zou duren en er was ook verder geen enkele stabiliteit. Het kon een klus zijn voor een dag of voor een week al naar gelang de ‘meneer’, de chef of de voorman van de boerderij dat besliste. En het salaris voor het werk van een hele dag was miserabel en karig. Het was voor de werker alleen genoeg om de basisbenodigdheden te kopen voor die dag. Deze ‘peoná’ (werkdag) duurde van zonsopgang tot de zon aan de horizon verdween. Na de burgeroorlog werkten mensen vele jaren voor slechts een maaltijd en een handvol kikkererwten of linzen om mee naar huis te nemen. En iedereen die een verbetering van zijn salaris of van zijn arbeidsomstandigheden durfde te eisen, kwam op een ‘zwarte lijst’ terecht, waarna het moeilijk was om werk te vinden.

Om deze reden werden veel dagloners gedwongen naar andere landen te emigreren, hetzij naar Midden-Europa, Catalonië of Baskenland. Mannen emigreerden eerst en zodra hun werk hun stabiliteit bood, keerden ze terug naar hun dorp en namen hun gezin mee.

Onder deze omstandigheden groeide ik op. Ik ging op zoek naar bouwwerkzaamheden in de stad Sevilla. Ik zocht de ene baan na de andere zonder succes, totdat ik aan het eind van de dag moe en verslagen de bus terug naar mijn dorp nam. Op die manier gingen weken voorbij tot ik, als ik geluk had, een werk vond waar ze een ‘pion’ nodig hadden. En dan was mijn enige zorg te weten of ik de baan had en wanneer ik kon beginnen. Je hoorde niets te vragen over de arbeidsomstandigheden, de uren of het salaris, want dan liep je het risico niet aangenomen te worden.

Antieke steenfabriek

Toen ik 18 jaar was, besloot ik te emigreren naar Catalonië waar ik werk kon vinden in een steenfabriek. Het merkwaardige aan deze baan was dat ik, toen ik de fabriek bezocht om erachter te komen of ze een arbeider nodig hadden, te woord werd gestaan door de eigenaar van de fabriek. Deze man bood me een baan aan en ik vroeg wanneer ik kon beginnen. Hij vertelde me dat ik de volgende dag kon beginnen. Daarop nam ik afscheid van hem en liep ik weg. Maar de  man riep me terug en vroeg of ik de arbeidsvoorwaarden en het salaris niet wilde weten, aangezien hij garanties wilde hebben dat deze baan me echt interesseerde. Die houding van die zakenman veroorzaakte bij mij op dat moment een emotionele schok, want in Andalusië was een dergelijke houding van een zakenman ondenkbaar en hooguit het resultaat van fantasie.

(Door Paco Gamboa)

10. Waarvandaan komt de benaming ‘moro’ (moor)?

De boeman en de moor[1] met groene tanden

In mijn dorp werd een verhaal verteld om kinderen bang te maken en het heette ‘de boeman’. Het gaat over een man die slechte en ongehoorzame kinderen zou meenemen, ze in een zak stopte en ze vervolgens meenam naar wie weet waar. En die kinderen kwamen nooit meer terug, vertelden onze moeders ons. Hij werd meestal voorgesteld als een man met groene tanden, die in het donker door de straten dwaalde op zoek naar verloren en ongehoorzame kinderen.

Er komen in Spanje ook andere personages voor in verhalen, zoals de boze geest, oom ‘Camuñas’ of de ‘Sacamantecas’ (letterlijk hij die het vet bij kinderen weghaalt), denkbeeldige personages voor wie kinderen bang waren. In de jaren 60 werd een lied met de titel ‘Nana de la Mora’ populair, waarvan de tekst luidde:

‘Laat de moor niet komen, de moor met groene tanden, mijn kind, slaap snel de hele nacht. Laat de moor niet komen, de moor met groene tanden. Slaap snel in mijn kind, de hele nacht door.’

Het was voor mij normaal, toen ik heel klein was, dat ik bang was voor het vallen van de avond en ik ging altijd snel naar huis zodra de zon onderging. Maar waar komt dit vooroordeel vandaan om ‘moren’ als slechte wezens te zien?

Volgens oude (Romaanse) bronnen en de Encyclopedia Britannica komt de naam ‘moor’ van een stam genaamd Mauri, die zijn naam gaf aan de Romeinse regio Mauritanië. Een fysiek kenmerk van deze stam was o.a. een donkere huid, vergeleken met de huid van de Romeinen uit die tijd. Het is daarom een ​​naam die niets te maken heeft met de negatieve vooroordelen van latere tijd, aangezien deze naam alleen naar een huidskleur verwees.

De afwijzing van ‘de Moren’ heeft historische wortels. De afwijzing van moslims, die tegenwoordig vooral als immigranten aanwezig zijn, is volgens EU-studies een groeiende realiteit in Spanje en deze is in Spanje waarschijnlijk groter dan in de rest van Europa. Houd er rekening mee dat in Spanje, vanaf de 16e eeuw ‘de gewone moor, die zich hoofdzakelijk wijdde aan nederige beroepen en het mikpunt was van spot, werd afgezet tegen de heroïsche Arabier’. Tussen de 12e en 18e eeuw legde de kerk zich vooral toe op het aanvallen van de profeet Mohammed. Zijn leven werd het middelpunt van de aandacht en de kerk probeerde te bewijzen dat hij een valse profeet zou zijn geweest. Zij probeerden de ‘irrationaliteit en agressiviteit’ van de moslimreligie aan de kaak te stellen. De kerk beschuldigde hem onder meer van immoraliteit omdat hij zijn volk zou hebben geadviseerd om van hun seksualiteit te genieten (hoewel deze aanbeveling alleen binnen het huwelijk geldt)[2]. Een trieste erfenis voor de Spanjaarden, die is overgebracht naar de Europese cultuur. Daardoor is een beeld ontstaan dat even vals als negatief is en vol racistische en xenofobe vooroordelen.


[1] Mauro, afgeleid van het Latijnse Maurus, en en van het Griekse Μαῦρος Maûros; eigenlijk ‘donker’, verwijzend naar de kleur van je huid. Inwoner van de oude Afrikaanse regio Mauritanië. U. t. c. s.

[2]   Artikel over ‘Sluiers, boerka’s … moren: stereotypen en uitsluiting van de moslimgemeenschap vanuit een genderperspectief”. Ministerie van Wetenschap en Technologie.

9. De hartekreet van een trauma

Weer een stukje in de reeks Ahmad vertelt over zijn leven als Andalusiër. Hier het origineel in het Spaans met daar onder de vertaling:

En hier mijn vertaling:

Vandaag ga ik verder met het vertellen over een familie-ervaring die het trauma laat zien dat wij Andalusiërs meedragen in ons geheugen. Dan heb ik het over het trauma van de gekolonialiseerde.

Toen mijn eerste dochter werd geboren, nam ik haar, zoals gebruikelijk is, mee naar haar grootmoeder. Omdat haar moeder en ik niet bereid waren geweest de traditie van de katholieke doop te volgen, begon mijn moeder te huilen toen zij hoorde dat we haar niet hadden gedoopt. Ze zei dat onze dochter nu voor altijd een ‘morita’ (vrouwelijk voor ‘een moortje’) zou zijn. Waar kwam die bittere uitroep vandaan? Voor haar betekende het ‘niet gekerstend zijn’ een vlek op de ziel, die niet uitgewist kon worden en een veroordeling tot de hel. Maar ook een smet tegenover de samenleving en tegenover de heilige macht die zegevierde: de katholieke kerk.

Doop van de Moren, Felipe Bigarny, Koninklijke Kapel van Granada, 1521

Ik heb in voorgaande artikelen al één en ander verteld over de geschiedenis van Andalusië, vooral over de laatste dagen van al-Andalus. De veroveraars en kolonisten (Castilianen en katholieken) wilden onze geschiedenis en een sociale ervaring die gedenkwaardig was voorgoed uit het collectieve geheugen wissen. Ondanks deze verhulling is deze herinnering echter ingebed gebleven in onze genen. Dat is wat mijn moeder ertoe bracht om dat trauma uit te drukken met haar huilen en haar angst dat haar kleindochter voor de samenleving zou verschijnen als een ‘morita’. Het heeft niet te maken met ras of religie, maar met een diep geworteld trauma. Zo niet, dan zouden haar emotionele toestand van dat moment en haar droevige uitroep niet kunnen worden begrepen.

Als deze emoties ons echter na meer dan vijfhonderd jaar sinds de verovering van het laatste bolwerk van al-Andalus (het Nasrid-koninkrijk van Granada) nog steeds verbazen, dan is het antwoord daarop dat die emoties in onze genen voortleven. Hoe graag men ook de herinnering aan onze geschiedenis uit ons geheugen wilde wissen, deze herinnering werd alsnog in stand gehouden dankzij muzikaliteit (Flamenco), handwerk of culinaire kunst. Zowel hier, in Andalusië, als in de rest van de wereld, inclusief Latijns-Amerika. De officiële geschiedenis heeft onze geschiedenis ontkend. Onze voorgeschiedenis wordt niet weerspiegeld in de boeken, maar die voorgeschiedenis is bewaard gebleven in mondelinge vorm, in nog zichtbare voorwerpen en in handwerk. Het is veelbetekenend dat Dr. Ana Paulina Gamez een tentoonstelling heeft georganiseerd over de Spaanse voetafdruk in Mexico, die wordt gepresenteerd in het Museum of Popular Art van 31 augustus tot 17 november 2019, zoals te zien is in deze vídeo.

Hoe bereikten deze kunsten, deze sterk gedefinieerde stijlen, deze praktijken en talen Latijns-Amerika in het algemeen en Mexico in het bijzonder? Er zijn veel vragen die moeten worden beantwoord en dankzij de wetenschap en de geschiedschrijving lijkt het erop dat we beetje bij beetje een deel van een menselijke geschiedenis kunnen ontdekken, die helaas onbekend is gebleven en genegeerd.

(Geschreven door Ahmad (Paco) Gamboa Vera)

8. Ongelovigen, ketters en de bijbel met de beer

Weer een stukje uit Ahmad’s leven in Andalusië

Hier weer het origineel in het Spaans met mijn vertaling daaronder

Ik hoorde altijd van mijn ouders dat ze in God geloofden, maar niet in priesters. Of anders gezegd, ze zeiden onder elkaar dat priesters eigenlijk zeggen: ‘doe wat ik zeg, maar doe niet wat ik doe’. Dat was een heel eenvoudige manier om duidelijk te maken dat het geloof in God één ding was, maar dat het iets anders was om te doen wat de katholieke kerk zei.

In de zomers, vooral als het oogsttijd was, verschenen altijd de katholieke missionarissen op de plaatsen waar tarwe, kikkererwten, maïs, enzovoort werd geoogst. Dat deden ze om hun eerbetoon te ontvangen, dat wil zeggen om een deel van de oogst te krijgen. Ik herinner me dat mijn grootvader Manuel op een dag, toen die zendelingen weer langskwamen, hen vroeg waarom ze niet kwamen op het moment dat er geploegd en gezaaid moest worden, zodat ze later met recht om een ​​eerbetoon konden vragen. Ze kwamen altijd op het juiste moment, als er net geoogst was, als er olie geperst was of als er fruit geplukt was.

Het was in die tijd niet gemakkelijk om van mening te verschillen met de priester, de burgemeester of de burgerwacht, want je riskeerde dan een plek op de zwarte lijst van het Franco-regime. Volgens de katholieke hiërarchie bestond er nog steeds gevaar voor ketterij. Van tijd tot tijd stuurde men missionarissen naar de steden en dorpen om de ongeschoolden en ongelovigen te indoctrineren. Als deze monniken verschenen, was bijna iedereen bang voor hen. De monniken organiseerden nachtelijke processies en zongen daarbij luid en maakten bij zonsopgang iedereen wakker. Ze riepen onder andere: ‘Sta op, ongelovigen en ketters, en bidt met ons of in het laatste oordeel zult u worden veroordeeld tot het vuur van de hel’. Ze bezochten ook de bars en stuurden iedereen die daar was naar buiten om de mis bij te wonen. Voor zover ik wist waren er in mijn dorp geen ongelovigen (moslims of joden), noch ketters (protestanten of lutheranen). Maar dat was alleen maar wat ik geloofde, omdat bepaalde dingen die in Andalusië gebeurden voor ons verborgen bleven.

In de 16e eeuw was er een seminarie in Sevilla, genaamd San Isidoro del Campo. Voor de schijn volgde dit seminarie de leringen van de katholieke kerk, maar tot grote verbazing van de katholieke kerk zelf werd de nieuwe leerstelling, die door Luther en Calvijn was begonnen, in dat seminarie gepredikt. Toen dat werd ontdekt, had de inquisitie geen genade. Een groot deel van de burgers van Sevilla was erbij betrokken, vooral onder de adellijke klassen. Ze werden als ketters veroordeeld en de meerderheid kwam op de brandstapel terecht. Maar sommige predikers slaagden erin vervolging te ontwijken en landen te bereiken waar protestanten officiëel bescherming genoten. Dat was in de landen van Midden-Europa. Onder hen bevonden zich enkele bekende personen: Casiodoro de Reina, Cipriano Valera en Antonio del Corro. In Europa hebben ze bijgedragen aan de religieuze vorming van het protestantisme en aan het schrijven van belangrijke schriftelijke bijdragen, zoals de Biblia del Oso, de Bijbel van de Beer.

Deze bijbel is gebaseerd op de heilige boeken van het Oude en Nieuwe Testament en in het Spaans geschreven. Hij staat bekend als de ‘bijbel van de beer’ omdat dat dier op de omslag van die bijbel staat. Het is een van de eerste vertalingen van de bijbel in het Spaans en de vertaler en samensteller was Casiodoro de Reina. Hij werkte twaalf jaar aan de voorbereiding en vertaling ervan en begon daarmee in 1565. Hij gebruikte de Hebreeuwse bijbel en de Ferrara-bijbel als taalkundige ondersteuning, die op 28 september 1569 in Bazel, Zwitserland werd gepubliceerd. De tweede editie werd gemaakt in Amsterdam. Dat was de eerste gecorrigeerde editie van de Bijbel van de Beer, die werd geproduceerd door Cipriano de Valera. Deze laatste uitgave is tot op heden de meest verspreide vertaling van de bijbel in het Spaans, vooral in de landen van Zuid-Amerika en onder Spaanse protestanten.

Zoals ik al heb geschreven in de voorgaande stukjes, waren er veel Andalusische moslims en joden die zich vrijwillig tot het katholicisme bekeerden (‘nieuwe christenen’ genaamd). Zij waren in dienst getreden bij verschillende academische, religieuze en staatsinstellingen. Om die reden is het niet toevallig dat zij verantwoordelijk waren voor het verschijnen van lutheranen in het seminarie van San Isidoro del Campo. Volgens vele getuigenissen is Casiodoro de Reina geboren in 1520 in Granada. Hij kwam uit een bekeerde moslimfamilie, en hij had gestudeerd aan de Universiteit van Salamanca of die van Sevilla.

(geschreven door Ahmad Gamboa)

7. Sociale en culturele beroering in Arrahal

Weer een stukje uit het leven van mijn wederhelft, wiens leven in niets lijkt op het mijne en met wie ik me toch zo verbonden voel. Dit is een persoonlijk verhaal, maar er zal ook nog een stukje geschiedenis volgen in latere stukjes. (Voor de liefhebbers daarvan, die er ook blijken te zijn.) Mij lijkt dat het geen kwaad kan om de sluiers, die de geschiedenis bedekken, te laten oplichten door een man, die zich daarin heeft verdiept. Toen ik vanmorgen in de digitale Volkskrant zag dat Ibn Khaldun werd geciteerd als een ‘Berberse’ filosoof, begreep ik dat enige geschiedkundige info geen kwaad kan.

Maar hier dus een stukje persoonlijke geschiedenis van de man van mijn leven.

Voor degenen die Spaans kunnen lezen weer het origineel:

In mijn dorp opende zich beetje bij beetje een sociaal-culturele omgeving waarin na verloop van tijd een toegewijde jeugd zou ontstaan ​​die opkwam voor hun rechten. Het Franco-regime, gepersonaliseerd in de priester, de commandant van de gemilitariseerde politiemacht van de Guardia Civil, de burgemeester, de rechter en de feitelijke bevoegdheden van het volk, bood de jeugd weinig meer perspectief dan een zeer conformistische traditie en manier van leven.

kerk van Vera Cruz

Een kleine groep jonge mensen had zich verzameld rond de kerk van Vera Cruz, een gebouw dat tijdens de burgeroorlog in vlammen was opgegaan. De vlammen vernietigden de afbeeldingen en schilderijen die erin stonden, maar hadden de structuur van het gebouw niet aangetast. Met veel werk slaagden we erin om de muren van de kerk te herstellen met verf en we maakten er een kartonnen plafond in. Op de plaats waar eens het altaar was, maakten we ​​ruimte voor een podium om toneelstukken te organiseren, lezingen te geven, enzovoort. Toen dit werk klaar was, ontstonden er een theatergroep, een bibliotheek en een ruimte voor ontmoetingen en dansavonden. De theatergroep speelde verschillende werken van Alvarez Quintero en Jacinto Benavente in dramatische stukken met flamenco- en Lorca-teksten.

Anderen van ons legden zich toe  het organiseren van activiteiten om het perspectief van de werkenden te verbeteren. Nadat ik de cursus voor tractorchauffeur had georganiseerd, sprak ik met de instructeurs. Ik wilde voor mezelf en mijn dorpsgenoten een cursus automonteur regelen, die werd gegeven door de organisatie Formación Profesional Obrera (F.P.O.). Omdat er een geschikte locatie beschikbaar was voor het geven de cursus, werd met dit plan ingestemd. De cursus werd gegeven in een magazijn dat voorheen een bioscoop was geweest.

Mijn vader wilde me eigenlijk niet aan de cursus laten deelnemen, omdat ik hem moest helpen met landbouwwerk. Want mijn broer vond, nadat hij het tractor-rijbewijs had behaald in de cursus die we al hadden gevolgd, een baan als chauffeur op de boerderij van een landeigenaar. Dus ik bleef alleen achter om mijn vader te helpen. Ik overtuigde mijn vader ervan dat ik deze cursus toch zou kunnen volgen, nadat ik op het veld had gewerkt. Elke ochtend pakte ik mijn fiets en reed 14 kilometer naar de land. Daar werkte ik de hele dag en fietste terug naar mijn huis. Daarna ging ik snel douchen, andere kleren aantrekken en de cursus volgen die om 19 uur begon en duurde tot 24 uur. Dan de volgende ochtend weer terug naar het veld, enzovoort, en dit zes maanden lang. Mijn benen werden als die van Popeye, de spinazie-eter.

Na het bezig zijn met de motoren en het vet, moest ik weer douchen, als mijn werkdag voorbij was. Toen de cursus in september begon, waren er dagen dat we allemaal peentjes zweetten, maar het was erg leerzaam voor mij, omdat ik altijd op zoek was naar iets dat ik kon leren. En zo is mijn leven altijd geweest, tot nu toe, tot en met de tweeënzeventig jaar die ik nu tel. Maar zoals een gezegde luidt in mijn land: ‘laat ze niet proberen deze dans van me af te nemen’.

6. Een onzichtbare toekomst

Sorry lezer, hier toch weer een stukje in de serie ‘Ahmad vertelt’. Het wordt nu, wat mij betreft, interessanter. Omdat hij het niet langer over droge geschiedkundige feiten heeft van bijna 2 millennia terug, maar over zijn eigen leven als werkende en autodidact. Wat hij schrijft heeft ook alles met mij te maken. Omdat het duidelijk zal maken waarom ik zo gek ben op mijn lieve, dappere en eigenwijze autodidact.

Hier weer het origineel

En hier mijn vertaling:

De jonge mensen in mijn dorp zagen voor zichzelf geen toekomst op het platteland. Maar het was het was voor de meesten van ons ook niet veelbelovend om naar de grote steden te emigreren, omdat we niet voldoende onderwijs hadden. Slechts een minderheid van de kinderen kon hoger onderwijs volgen, want dat was kostbaar voor de kinderen van de boeren en dagloners. Ik had graag landbouwkunde willen studeren, maar mijn vader had me nodig om op het land te werken.

Elke ochtend gingen we naar de velden om te werken, met de muilezels opgetuigd en beladen met landbouwwerktuigen. Vaak ontmoetten we andere boeren uit Paradas en ze begroetten ons altijd met de woorden: ‘tot de vrede van God, broeder’. Ik hield van die begroeting. Later kwam ik erachter dat dit ‘assalamu alaikum, broer’ betekent. De woorden zijn dus een moorse erfenis. Ik was één van de vele jonge mensen uit ons dorp, die zijn ouders vergezelde en hielp bij landbouwwerk. Het was nog in de tijd dat de meerderheid van ons het land bewerkte volgens traditioneel gebruik, met dieren als arbeidskrachten. De rijksten onder ons waren al begonnen met het gebruik van tractoren en andere machines. Dat is de reden dat we voelden dat we geen toekomst hadden met ons werk op het land en dat er voor ons geen toekomst was weggelegd in onze dorpen.

Omdat ik nooit rust in me had en altijd iets nieuws wilde leren, woonde ik bijeenkomsten bij die werden gehouden in het huis van een priester, met andere jonge mensen uit de stad. We maakten deel uit van een groep katholieke landbouw- en plattelandsjongeren. Er waren weinig mogelijkheden voor jonge mensen zoals wij. Je had alleen de bars om alcohol te drinken, de bioscopen of je kon wandelen op het dorpsplein. Dus zochten we naar onze eigen manieren om plezier te hebben, maar ook wilden we graag wat leren en zochten we naar andere toekomstmogelijkheden.

Omdat ik het het gebrek aan perspectief van mijzelf en mijn mededorpsgenoten inzag, pakte ik op een dag mijn fiets en ging naar het stadje Marchena op een afstand van twintig kilometer. Er was een officiële instantie, de Agrarische Kamer, en ik nam contact op met de verantwoordelijke experts. Ik vroeg hen om informatie over cursussen voor jongeren op het platteland en zij vertelden mij dat het mogelijk was om een cursus te organiseren voor het leren besturen van een tractor. Zoals ze mij hadden geadviseerd, vroeg ik hen om de formaliteiten te regelen voor het realiseren deze cursus. Enkele maanden later lieten ze me weten dat het de cursus was goedgekeurd

We begonnen de cursus met een twintigtal jonge mensen. We hadden in die cursus tractoren, aanhangwagens, ploegen en alles wat we nodig hadden om met machines te kunnen werken. Ze leerden ons zelfs werken met een maaidorser, een machine die kon maaien, dorsen en wannen. Werk waar voorheen 5 mannen voor nodig waren gedurende een week werken, deed de maaidorser in één dag. Hoe zou het dan mogelijk zijn om via handwerk te concurreren met de mechanisatie op het veld? En daarbij zou nog het gebruik van chemicaliën komen: compost, insecticiden, herbiciden, enzovoort.

Met het tractor-rijbewijs kon men in die tijd nog een aanvraag voor een autorijbewijs indienen. Die werd dan behandeling genomen en ingewilligd na een korte rijtest. Voor veel jonge mensen betekende het tractor-rijbewijs dat hun werk op het veld werkelijk gemoderniseerd werd. Velen van hen gingen met dat diploma werken als tractorchauffeur, hetzij op hun eigen terrein, hetzij als loonarbeider. Mijn vader had geen geld voor moderne landbouwmachines en bleef zijn werk op de oude manier doen. Omdat ik een rebel was, verwachtte ik voor mezelf in mijn toekomst andere taken, hoewel die toekomst voor mij onzichtbaar was.

5. De verovering van Granada en de religieuze oorlog

Hier weer het origineel in het Spaans voor de liefhebber en daaronder mijn (vrije) vertaling in het Nederlands.

Vertaling van de tekst: De Katholieke Koningen waren Isabel van Castilla en Fernando V van Aragon. Met deze koningen wist Spanje heel groot en machtig te worden. Dit zijn de belangrijkste dingen, die zij deden. Ze richten de Heilige Broederschap op om de bandieten te vervolgen; ze stuurden de joden die geen christenen wilden worden weg uit Spanje; ze veroverden de stad Granada op de moren en verdreven hen naar Afrika en tenslotte wist Christobal Columbus met hun hulp America te ontdekken

Bij het zien van deze bladzijde in het schoolonderwijsboek van de Álvarez Encyclopedia krijgt men een goed idee hoe het onderwijs op de scholen ten tijde van Franco eruit zag en wat men de leerlingen wilde wijsmaken.

De in Granada geboren dichter Federico García Lorca schreef:

‘La Toma (de inname van Granada) was een heel slecht moment in de geschiedenis, hoewel men het tegenovergestelde beweert op de scholen. Een bewonderenswaardige beschaving ging verloren om plaats te maken voor een arme en gekwelde stad, voor een land van ellende, terwijl de slechtst mogelijke bourgeoisie van Spanje zich op dat moment begon te roeren’.

In de stukjes hiervoor heb ik uitgelegd hoe de situatie was tot het moment dat Granada werd veroverd (1492). De bevolking op het Iberisch schiereiland bestond uit mensen met uiteenlopende geloofsovertuigingen, zowel in het Andalusische als in het Castiliaanse deel. Dat betekende niet dat er geen conflicten waren, maar die conflicten waren nooit religieus gemotiveerd. Een goed voorbeeld is de Mudejar-opstand (1264-1266) waarbij de bevolking van Baja Andalusië en Murcia betrokken was, als reactie op het beleid van Castilië om de mensen die moslim waren naar andere gebieden te verplaatsen.

Het laatste gebied dat tot de Andalusische staat behoorde, werd teruggebracht tot het Nasrid-koninkrijk Granada. Dit koninkrijk werd bewoond door christenen, joden en moslims De Castiliaanse strijdmacht had een groot belang bij het beëindigen van dat koninkrijk. De katholieke vorsten organiseerden een groot leger om het koninkrijk te veroveren. Bij dit politieke en militaire project kregen ze ook de steun van moslims. Op 25 november 1491 ondertekenden koning Boabdil en de katholieke vorsten een pact, genaamd ‘de capitulaties van Granada’. Daarin stemde Boabdil toe om zijn koninkrijk over te geven in ruil voor het respecteren van het leven en de rechten van de inwoners van Granada. Zowel wat betreft hun recht op hun eigendommen als op hun religie, enzovoort. Boabdil gaf er de voorkeur aan zijn koninkrijk over te geven om een ​​bloedbad te voorkomen, aangezien hij wist dat een oorlog fataal zou zijn voor de mensen van zijn koninkrijk. Om die reden ondertekende hij de genoemde capitulatie.

Drie jaar lang bleven de capitulaties van kracht, maar de katholieke kerk was niet bereid de rechten van moslims te respecteren. Kardinaal Francisco Jiménez de Cisneros legde alle moslims een gedwongen bekering tot het katholicisme op. Dit was in strijd met de capitulaties die door de katholieke vorsten waren ondertekend. Deze beslissing lokte de rebellie uit van de inwoners van Granada, met name in de wijk Albaicín. De katholieke kerk en de katholieke vorsten wilden de samenleving standaardiseren volgens de katholieke leer. Voor dit doel was het opleggen van de doop niet voldoende, maar moest elk overblijfsel van de moslimcultuur geëlimineerd worden.

Op bevel van de katholieke vorsten nam Cisneros de in het Arabisch geschreven bibliotheek van de Madraza in beslag, met als doel om elke herinnering aan de verslagenen te elimineren. In zijn ijver om alles te elimineren dat zou hebben bijgedragen aan de ‘mohammedaanse goddeloosheid’, gaf hij opdracht tot het verbranden van de boeken. Dat gebeurde op de Plaza de Bib-Rambla, destijds bekend als de Puerta del Arenal, waar het hele poëtische, historische en culturele erfgoed in de as werd gelegd. Dat was het erfgoed van de cultuur van de Nasriden. Daarbij werden alleen de medische boeken en andere wetenschappelijke teksten bewaard. Boeken, die echter tot op heden niet toegankelijk zijn voor raadpleging. Dit alles leidde tot een reeks van opstanden van de Moren die zouden eindigen in bloedbaden en gedwongen ballingschap.

Het was vanaf de verovering van Granada dat met de gedwongen bekeringen van alle moslims en joden van het Iberisch schiereiland werd begonnen. Het doel van de capitulaties was dat, zolang de moslims de rechten genoten die waren opgenomen in de ‘capitulaties van Granada’, de kerk niet het recht zou hebben anders gelovigen te storen in hun leven en geloof. Ook zou het hof van de Heilige Inquisitie de ‘ongelovigen’ niet kunnen vervolgen en executeren.

In 1236 verovert Fernando III Córdoba, en in 1248 veroverde hij Sevilla. Sindsdien gaven veel moslims, die in de door de Castilianen veroverde landen woonden, er de voorkeur aan zich vrijwillig tot de nieuwe katholieke doctrine te bekeren. Deze bekeringen waren geen omvangrijk proces, maar een selectief proces, omdat ze dachten dat ze op deze manier hun families en belangen beter zouden beschermen. In twee en een halve eeuw, tot 1492, was er een lange periode van bekering en assimilatie van moslims en joden, die in veel gevallen hoge posities bekleedden in de verschillende niveaus van de staat, de economie of de rechterlijke macht, het onderwijs, enzovoort.

Dat de Andalusische moslims en joden een meer uitgebreide en gekwalificeerde opleiding hadden genoten, wekte onder de ‘oude christenen’ jaloezie op. En wel zodanig dat de politieke machten maatregelen gingen nemen, met als gevolg daarvan de zogenaamde ‘Statuten van bloedzuivering’. Deze statuten vormden de rechtvaardiging voor juridische discriminatie van de bekeerde Spaanse minderheden op verdenking van het in het geheim beoefenen van hun oude religies (Marranos in het geval van de bekeerde joden en Moriscos het geval van de bekeerde moslims). Ze bestonden uit het eisen aan wie een instelling wilde betreden, dat deze kon aantonen dat hij afstamde van ouders die christen waren, die op hun beurt ook weer konden aantonen van christenen af te stammen. Deze regels werden op grote schaal ingevoerd voor toetreding tot gemeentebesturen, universiteiten, militaire posten, enzovoort.

Uiteraard werden deze certificaten om christelijke afstamming aan te tonen ook vervalst en verhandeld, zodat ondanks deze maatregelen veel mensen toegang kregen tot belangrijke functies in instellingen of overheden. In een ander artikel zal ik enkele historische gevallen vertellen die laten zien hoe, ondanks de hardheid van de inquisitie, religieuze bewegingen die in strijd waren met het katholicisme floreerden, zoals het lutheranisme in Sevilla, waar de zetel van het hof van de inquisitie woonde.

4. Ahmad vertelt verder: de school en de visigoten

Hier het origineel in het Spaans

De lessen op school die het meest gemanipuleerd werden waren de geschiedenislessen. Vooral wat ons geleerd werd over de geschiedenis van de Visigoten. Het was een hele klus om de moeilijk te onthouden namen en vooral de data van hun regeerperiodes te onthouden. 

Later heb ik die historische periode zelf bestudeerd. En nu moet ik lachen bij de herinnering hoe men toen Leovigildo aan ons presenteerde, een koning die een symbolische rol speelde en nog speelt voor Franco-aanhangers. Hij zou de eerste koning zijn, die het ‘Spaanse en katholieke thuisland’ verenigde nadat hij al zijn rivalen had verslagen, vooral de Byzantijnen van Baetica. Maar bij nadere bestudering van de geschiedenis blijkt dat deze koning niet trinitarisch (katholiek) was, maar arisch en unitarisch, een leerstelling die niet overeenkwam met die van de trinitariërs. Het was zijn zoon, Hermenegildo, die zich bekeerde tot het trinitarische geloof en die een opstand leidde tegen zijn eigen vader vanuit de stad Sevilla, waar hij woonde. Sevilla was toen het grootste en meest gecultiveerde centrum van het trinitarische geloof.

Zoals gebleken is, volgde het onderwijs indertijd niet de beste pedagogische of academische criteria, maar was het een indoctrinatie-centrum voor het Franco-regime. In het Franco-onderwijsprogramma bestonden alleen de koninklijke dynastieën, die begonnen met de Visigotische koningen en eindigden met de Castiliaanse koningen. De Andalusische heersers (emirs, khaliefen, enzovoort), die acht eeuwen lang over het Andalusische gebied regeerden, waren verdwenen uit de geschiedenis. Er was echter ook een koning die in de officiële geschiedenis misprijzend werd genoemd. Dat was Don Pedro el Cruel (de Wrede). Hij had een denigrerende bijnaam, die mijn aandacht trok.

Don Pedro I, koning van Castilië (1334-1369), werd door zijn tegenstanders ‘de wrede’ genoemd, maar hij werd door zijn aanhangers ‘de Justiciero’ (rechtvaardige) genoemd. Omdat het tijden waren van conflicten en dynastieke oorlogen, brak onder het bewind van Don Pedro de eerste Castiliaanse burgeroorlog uit (1351-1369), waarin de aanhangers van koning Pedro I van Castilië en die van zijn stiefbroer Enrique II van Castilië vochten. De oorlog eindigde met de moord op Pedro I en het bestijgen van de troon van Castilië door Enrique II. De bijnaam ‘de wrede’ werd gegeven door degenen die samenzweerden tegen Pedro I van Castilië. Om de samenzweerders te straffen, werden ze geëxecuteerd. Pedro I werd echter door de bevolking van Sevilla de ‘Justiciero’ genoemd. Dit als erkenning voor de manier waarop hij de stad bestuurde, aangezien hij alle inwoners respecteerde, of ze nu christenen, moslims of joden waren. En hoewel de moslims macht aan het verliezen waren, was hun aanwezigheid en waren hun economische, commerciële en intellectuele activiteiten doorslaggevend voor het voortbestaan van zijn macht.

Don Pedro I van Castilië was een tijdgenoot van twee grote Andalusische wijzen: Ibn al-Jatib (1313-1374) en Ibn Khaldun (1332-1406). Beiden maakten deel uit van het Nasrid-hof van Granada en traden op als ambassadeurs aan het hof van Don Pedro I, wiens koninklijke zetel het Alcázar van Sevilla was. Het Alcázar is een paleis dat in opdracht van Don Pedro I gebouwd werd, waarbij hij de beste architecten, bouwers en metselaars van Sevilla inhuurde, allemaal met kennis van Andalusische kunst. En in dat paleis werd Ibn Khaldun ontvangen als ambassadeur van het Koninkrijk Granada. Omdat Don Pedro I de beste mannen voor zijn regering wilde hebben, of ze nu moslims of joden waren, stelde hij aan Ibn Khaldun voor om voor hem te werken. In ruil daarvoor zou hij alle eigendommen die zijn familie in zijn koninkrijk had teruggeven. De familie Khaldun liet zijn eigendommen achter, toen Fernando III Sevilla veroverde.

Zo zien we hoe het naast elkaar bestaan ​​van verschillende geloofsovertuigingen mogelijk was in de steden en dorpen van Andalusië, of ze nu katholiek of moslim waren. Het was een gewoonte die in de samenleving was geworteld en niemand wilde afstand doen van zijn eigendom en voordelen. Zoals altijd waren het geen ideale regeringen of perfecte samenlevingen, aangezien er allerlei soorten conflicten ontstonden, maar die waren niet van religieuze aard. Maar op scholen hebben ze ons geleerd en geïndoctrineerd met het verhaal dat er achthonderd jaar lang een religieuze oorlog tegen moslims was, iets dat niet alleen een leugen is, maar ook een ideologische misvatting. Dat heb ik later kunnen achterhalen door de geschiedenis te bestuderen, maar tot op heden geloven de meeste mensen nog steeds in deze vooringenomen propaganda.

3. Mijn grootouders van vaders kant (een nieuw hoofdstuk uit ‘Ahmad vertelt’)

Mijn grootouders van vaderskant komen uit een dorp genaamd Los Molares. Het ligt, net als mijn dorp Arrahal, in het gebied dat vroeger de ‘Banda Morisca’ werd genoemd en tegenwoordig het Sevilliaanse platteland.

In Andalusië zijn er twee manieren om dorpen te benoemen. Sommige hebben eenvoudige namen, andere hebben een gemeenschappelijke bijnaam, zoals de bijnaam Frontera (grens). Zoals bijvoorbeeld Morón de la Frontera (Sevilla), Arcos de la Frontera, Chiclana de la Frontera en Jerez de la Frontera (Cádiz), Aguilar de la Frontera (Córdoba), enzovoort. Deze benamingen met allemaal het woord frontera erin, zijn een gevolg van de territoriale geschillen en veroveringsoorlogen tussen het Nasrid-koninkrijk Granada en het katholieke koninkrijk Sevilla, die plaatsvonden gedurende bijna twee en een halve eeuw, zoals ik in het vorige artikel heb uitgelegd. In die tijd kon een bevolkingsgroep zich soms op het grondgebied van het Koninkrijk Granada bevinden en daarna weer op het grondgebied van het Koninkrijk Sevilla, naarmate de grenzen veranderden.

Omdat oorlogen of gewapende conflicten af ​​en toe plaatsvonden maar niet voortdurend, was er in vredestijd een voortdurend contact en een onderlinge uitwisseling tussen de bevolking van de twee koninkrijken. In beide koninkrijken woonden zowel moslims, christenen als joden. In veel gevallen waren er familiebanden tussen mensen die in beide koninkrijken woonden. Dit complexe netwerk van relaties zorgde ervoor dat er in de dorpen en steden diverse productieve en commerciële activiteiten waren. Los Molares, het dorp van mijn grootouders van vaderskant, was gespecialiseerd in de teelt van de zijderups en bezat weefgetouwen om stoffen van dit mooie product te maken. Om de zijderups te kweken, was het nodig om talloze moerbeibomen te planten, aangezien de wormen zich voeden met de bladeren van die boom.

Mijn grootouders, die geen ambachtslieden waren maar boeren, hadden hun land tussen de stad Utrera en Arahal. Kort nadat mijn vader was geboren, ging mijn grootvader met zijn muilezels op een winterdag naar Arahal om zijn boodschappen te doen. Nadat hij de noodzakelijke dingen had gekocht en op de muilezels had geladen, stopte hij bij een paar bars om glazen anis te drinken en zo werd hij uiteindelijk dronken. Op de terugweg werd hij verrast door een hevige storm, maar omdat hij zich niet bewust was van zijn toestand, zocht hij pas een schuilplaats toen hij al helemaal doorweekt was. Door pech viel hij ook nog van zijn muilezel, zonder te kunnen reageren. Toen iemand hem uiteindelijk ontdekte, was het voor hem te laat om van de kou, die hij gevat had, te herstellen. Hij stierf uiteindelijk aan een verkoudheid.

Als kleine jongen moest mijn vader werken als ‘varkenshoeder’. Hij bracht de varkens naar de velden om te eten. Ze aten olijven die op de grond waren blijven liggen, eikels of resten van tarwe die in de stoppels waren achtergebleven. Mijn vader vertelde me eens dat hij, terwijl hij de kudde naar het veld bracht, onderweg verrast werd door een stier die hen aanviel. Mijn vader was in staat om in een olijfboom te klimmen en zichzelf te redden van de aanval, maar de stier achtervolgde de varkens en verspreidde ze. Een week lang waren de varkens zoek. Later kwamen ze beetje bij beetje weer terug bij hun huizen. Toen mijn vader elf was, stierf ook zijn moeder aan een ernstige ziekte, waardoor mijn vader een wees werd. Een oom van mij, die getrouwd was, nam hem in huis tot hij volwassen was en trouwde.

Helaas kan ik verder weinig vertellen over mijn grootouders van vaderskant. Toen mijn ouders trouwden, gingen ze in het huis wonen waar ik geboren ben. Als er iets is dat mij heel erg herinnert aan mijn grootouders, dan zijn het de zijderupsen. Als kind wist ik niet wat de oorsprong was van het Andalusische kindergebruik voor het fokken van zijderupsen. Pas toen ik de Andalusische geschiedenis later bestudeerde, begreep ik de oorsprong ervan. Dit gebruik is ontstaan sinds de productie van zijde in de tijd van al-Andalus, een activiteit waarin Granada eeuwenlang opviel. Aangezien Sevilla een zeer machtige commerciële metropool was, is het zeker niet verwonderlijk dat sommige zijde-ambachtslieden vanuit Granada naar de provincie Sevilla verhuisden om daar met deze activiteit te beginnen. Om deze ambachtelijke activiteit te behouden, moesten ze langs de wegen en paden van de regio moerbeibomen planten, waarmee de rupsen zich konden voeden.

Als het de tijd was dat de zijderupsen uitkwamen, rond half februari, nam ik een schoenendoos en maakte een paar gaatjes in het deksel zodat de rupsen konden ademen. Daarna ging ik naar de ‘Casa del Moro’ aan het einde van mijn straat, waar men de rupsen verkocht. Pasgeboren zijderupsen zijn dun als een draad, en niet meer dan een millimeter. Dus ik kreeg ze aangereikt op een paar moerbeibladeren en blij ging ik ermee naar huis. Elke dag gingen wij als kind naar een pad langs het treinstation, waar verschillende rijen moerbeibomen waren geplant. We klommen in de bomen om de meest malse bladeren te pakken te krijgen. Totdat ze een cocon gingen vormen moesten de rupsen veel eten. Daarna bleven ze, als ze eenmaal een pop waren, een tijdje opgesloten in hun cocon, totdat ze tevoorschijn kwamen in de vorm van een witte vlinder, die honderden eieren legde.

Dit waren mijn eerste praktische biologielessen, waarbij ik de metamorfose van bepaalde insecten ontdekte.