Woningnood

Er is een tekort aan huizen in Nederland en sommigen geven daarvan de schuld aan de instroom van asielzoekers.

Maar naar mijn weten is deze woningnood niet nieuw. Hij bestond al in de 70er jaren. Niet voor niets gingen mensen toen leegstaande panden kraken.

In mijn vroege jeugd merkte ik niet zoveel van dit tekort aan huizen. Aangezien mijn stiefvader beroepsmilitair was kregen we vrijwel altijd bij elke verhuizing een woning toegewezen op de vliegbasis waar hij ging werken. In Duitsland waren dat geheel ingerichte woningen (met serviesgoed en al) in een bosrijke omgeving. Op de vliegbasis Deelen woonden wij in een barak waar voorheen soldaten in gehuisvest waren. De woning was niet aangepast voor ons als gezin. We hadden daar drie WC´s naast elkaar en het huis bestond uit een lange gang met te veel kamers en een keuken. Het was voor mijn broer en mij ideaal om verstoppertje te spelen. Om de barak heen was natuur en daar huppelden eekhoorntjes en konijnen rond.

Toen we naar Eindhoven verhuisden werd het wat lastiger. Mijn stiefvader kreeg toen niet direct een woning en daarom trokken we enige tijd in bij zijn moeder, die woonde in een houten woning genaamd ´ons houten kasteel´. Daarna woonden we een tijdlang in een prefab houten woning die te klein was voor vier gezinsleden maar uiteindelijk kregen we een leuke eengezinswoning in een wijk die het ´witte dorp´ genoemd werd. Dat sloeg niet op de huidskleur van de mensen, maar op die van de woningen.

Toen ik uit huis ging en naar Utrecht vertrok, aanvankelijk om bij de Spoorwegen te gaan werken, was het heel moeilijk om een kamer te vinden. Ik vond een klein hokje op twee hoog in een zijstraatje van de Oude Gracht. Ik kon daar niet koken en douchen (moest daarvoor naar een badhuis en naar de mensa). Naast mij woonde nog een jongen. We waren slechts gescheiden door een dunne wand. Als hij een scheet liet kon ik het horen. Gelukkig was hij verder rustig.

Later vond ik een grotere kamer in de wijk Lombok. De kamer was op het noorden en ik had alleen een butagaskacheltje. In de avond ging ik vroeg naar bed om de kou niet te voelen. Ik moest het keukentje op de overloop delen met een heel dominante meid die alle keukenkastjes voor zichzelf gereserveerd had en bij mijn aankomst al aankondigde wanneer zij kookte en de keuken dus niet toegankelijk was voor mij. Ik liet dat over me heenkomen, zultje dat ik toen nog was. Het duurde niet al te lang. Na een koude winter en een zomer werd ik eruit geknikkerd, omdat mijn hospita een baby kreeg en de ruimte nodig had.

Toen heb ik me met mijn toenmalige vriendje aangesloten bij de groep krakers waar mijn broer deel van uitmaakte. Mijn broer woonde op 1bis met die krakers en dat huis was al enigszins bewoonbaar. Nummer 1 stond nog leeg maar was in een verschrikkelijke staat. Daar trokken wij in. Het heeft wel een tijd geduurd om die benedenwoning annex café met bar bewoonbaar te maken. Het bleef ook daarna behelpen, maar het was te doen.

Ik was intussen psychologie gaan studeren Dat ging ik doen vanuit de gedachte dat ik mensen wilde helpen. Ik was informatrice bij de NS maar ik wilde meer kunnen doen voor mensen dan reizen uitstippelen. Als er een ´gastarbeider´ bij de balie kwam met een papiertje en daarop een adres en de man sprak geen woord Nederlands, dan wilde ik het liefst met hem meelopen om hem de weg te wijzen. Ik merkte al snel dat ik niet paste tussen de andere informatrices en dat ik andere dingen wilde met mijn leven.

Als student kon ik me inschrijven voor een studentenflat. Dat heb ik gedaan en na jaren was ik eindelijk aan de beurt voor een kamer in een studentenflat, gedeeld met negen andere meiden en later in een gemengde (d.w.z. jongens en meisjes bij elkaar) ´viereenheid´.

Later ging ik weer terug naar het kraakpand waar inmiddels een plek vrij was gekomen op 1bis.

Toen al was er woningnood, ook al was het aantal inwoners in Nederland een stuk lager dan nu. Maar er was een tekort aan huizen, zowel voor kamerbewoners als voor gezinnen. Ook toen moesten mensen met een laag inkomen jaren wachten op een sociale woning. Een verschil met nu was dat de koophuizen goedkoper waren en veel mensen hebben daarvan geprofiteerd door toen een huis te kopen. Er waren ouders die hele panden opkochten om daar hun studerende kinderen in te huisvesten en de rest van de kamers te verhuren, een goede investering.

Ik heb als bijbaantje een tijdje bij huisvesting gewerkt en zag toen al mensen wanhopig en nijdig worden aan de balie omdat ze geen huis kregen. Ik zag zelfs een keer een man over de grond rollen van frustratie.

Wat wil ik zeggen met dit lange verhaal? Dat woningnood niet iets nieuws is in Nederland. Het is een oud probleem en de oorzaak ligt niet bij het aantal inwoners dat we hebben of de instroom van buitenlanders. Het ligt aan het beleid. Wat daar precies aan schort weet ik niet, maar er is een permanent tekort aan woningen voor alle typen huishoudens. Al jaren!

Reset

Elke levensfase heeft zijn eigen kenmerken en eisen, bedacht ik vanmorgen toen ik wakker werd na een lange en grieperige nachtrust.

Als je boven de 70 jaar bent, dan hoef je niet zoveel meer en mag je daarentegen veel. Als je nog jong bent word je geacht te ‘werken aan je toekomst’, je moet vooral veel leren ter voorbereiding op het latere leven van verplichtingen dat je wacht. Wat die verplichtingen dan zijn is voor een ieder verschillend, afhankelijk van de omgeving waarin men verkeert en de eisen die aan iemand gesteld worden.

Ik had een goed leerhoofd en ik hoefde niet al jong uit werken te gaan om aan het gezinsinkomen bij te dragen. Van mij werd verwacht dat ik mijn leerhoofd gebruikte om te studeren. Na mijn studie bekeerde ik me tot de islam en kreeg ik 5 kinderen met een man uit een totaal andere cultuur dan de mijne. Ik paste me daaraan aan en leefde lange tijd alleen voor mijn 4 overgebleven kinderen.

Op mijn 43e wist ik me eindelijk te bevrijden uit het helse huwelijk door naar Den Haag te vluchten met de kinderen. Mijn leven kreeg een ‘reset’. Ik kon voor het eerst mijn eigen plan trekken en hoefde niet langer bang te zijn voor de gevaarlijke gek met wie ik getrouwd was geweest.

Heerlijk was dat. Ik maakte vervolgens nog een keer een verkeerde partnerkeus, omdat ik dacht dat mijn tweede echtgenoot een vader kon zijn voor mijn kinderen. Dat pakte anders uit dan mijn bedoeling was (zacht uitgedrukt).

Sinds nu bijna 15 jaar ben ik met een partner die het beste in mij naar boven haalt en die heel wat spoken uit mijn verleden heeft doen verdwijnen. Hij is gelukkig met mij en ik met hem. Mijn kinderen hebben zich in weerwil van hun niet ideale jeugd ontwikkeld tot lieve en zelfbewuste volwassenen. Ze werken allen in een beroep waarin zij hun kwaliteiten optimaal benutten, hebben succes en ze zijn goede ouders voor hun kinderen.

Ik ben gewend voor uitdagingen te staan. Mijn hele leven moest ik me inspannen om aan de eisen van het moment te voldoen.

Nu is dat niet meer zo. Ik hoef niets. Niemand verwacht iets van mij. Mijn kinderen redden zich en hebben hun partners om mee te praten als ze ergens mee zitten. Mijn levensinstelling behoeft een ‘reset’.

Ik kan elke dag doen waar ik zin in heb, maar omdat ik zo gewend ben aan uitdagingen heel mijn leven verwacht ik ook nu nog veel van mezelf. Een voorbeeld is dat ik mezelf vorige week nog perfect Spaans wilde leren. Nu denk ik: hoezo en waarom? Ik kan me redden met het Spaans dat ik nu spreek. Waarom moet het grammaticaal ook allemaal perfect zijn? Hoezo moet ik schilderen? Wie wacht er op mijn portretjes? Hoezo moet ik in dit weblog schrijven? Wie wil dit lezen?

Ik ben vaak moe en ik wil daar best aan toegeven. Het mag immers. Ik mag gerust een hele middag een boek lezen.

Dat bedacht ik vanmorgen en ik stond heel relaxed op.

Het gekke is dat ik juist omdat ik mezelf ‘vrijaf’ gaf van alle eisen die ik aan mezelf pleeg te stellen energie kreeg. Ik ging zonder nadenken van alles doen, zoals het in vazen schikken van alle veldbloemen en takken die ik gedroogd heb deze zomer. En straks ga ik koken met goesting. Gewoon omdat alles mag en niets hoeft! Daar krijg ik energie en inspiratie van.

Zoiets als ‘de wet’ dat veel zich ontpopt in zijn tegendeel. Dwang verlamt en vrijheid geeft inspiratie en leidt tot meer resultaat.

Eendje of fuut?

Het lijkt een eendje of een fuut, zwemmend in een modderige sloot

Maar dat is het niet. Het is een gevallen blaadje op een nat geasfalteerd paadje in de Uithof. Optische illusies, ik houd ervan. Toen ik klein was kon ik lang staren naar patronen in het vloerkleed die me aan figuren deden denken of ik keek naar silhouetten van bomen, struiken en wolken, enzovoort. Ik ben er nooit mee gestopt.

Rijden met die auto!

Omdat ik hem heb gekocht teneinde mijn kinderen te kunnen bezoeken en toch wil dat de auto goed blijft rijden heb ik me voorgenomen minstens elke week een ritje te maken. Vandaag was dat naar Hendrik-Ido-Ambacht en zaterdag ga ik naar Naaldwijk.

Ik ben een banger persoon geworden dan jaren geleden, toen ik overal naartoe karde zonder navigatie en me nooit druk maakte of ik wel kon parkeren waar ik moest zijn. Maar ik ben niet alleen voorzichtiger en banger om auto te rijden, ook op de fiets voel ik me minder zeker dan voorheen. Als ik terugdenk aan de tijd dat ik met mijn Tomos overal heen scheurde, door regen en sneeuw en hagel, zonder bang te zijn voor een uitglijder, dan kan ik me dat nu niet meer voorstellen.

Angsthaas die ik ben geworden met mijn broze lijfje. Maar ik blijf wel rijden! Ik heb het er zeer graag voor over dat ik de auto moet pakken om mijn kinderen op te zoeken. En ook op de fiets blijf ik rijden, maar ik ben wel voorzichtiger met op- en afstappen.

Angst is een slechte raadgever, maar voorzichtig zijn kan geen kwaad. Ik denk dat deze onzekerheid hoort bij het steeds ouder worden.

Toen ik nog geen kinderen had nam ik veel risico’s door overal op te klimmen en te duiken van een hoge duikplank. Na de geboorte van mijn kinderen werd ik voorzichtiger en nam ik minder risico, maar ik was nog steeds niet bang. Nu ben ik een angsthaas geworden. Maar daar wil ik niet te veel aan toegeven. Herkent de oudere lezer dat of ben ik de enige?

Alles verandert

Vanmorgen kon ik na het bidden (rond 5.30) niet meer slapen en ging ik nadenken over dat alles verandert en niks blijft. Het was de lijfspreuk van wijlen mijn broer Hans. En ik snap wel waarom. Hij had moeite met afscheid en verandering. Telkens opnieuw verhuisden wij en moesten we ons aanpassen in een nieuwe buurt en op een nieuwe school. Toen we een keer een dagje uit waren en mochten zwemmen aan een strandje langs een rivier, ging Hans een trommeltje met kleine voorwerpen begraven. ‘Als we later terugkomen, dan graven we dat op,’ zei hij. Elk afscheid van mooie momenten of dagen maakte ons weemoedig. Hans probeerde er iets van ‘vast te houden’ door dingen te begraven voor later, als we zouden terugkeren op dezelfde plek. Maar we kwamen nooit terug op eenzelfde plek.

Dat gevoel van dingen niet kunnen vasthouden, omdat alles nu eenmaal verandert, overviel me vanmorgen. Er kwam van alles in mijn gedachten. Dingen die lang geleden plaatsvonden herinner ik me als de dag van gisteren. Het is raar om jezelf te voelen als een constante in een steeds veranderende omgeving. Ik zou alles willen bewaren en in een doos stoppen. Het zijn niet zozeer de spullen of de kleding en andere materiële dingetjes, het zijn de herinneringen en de gevoelens die komen en gaan en die ik zou willen vasthouden. Ik weet niet wat ik daarmee dan zou moeten. Het is een gevoel van heimwee. Heimwee naar wat er niet meer is en heimwee naar wat nu is en er morgen niet meer zal zijn.

Maffe gedachten die ook voorbijgaan.

Oud zeer

Ieder heeft er wel mee te maken, met oud zeer. Het kan een nare gebeurtenis zijn in je leven, een jeugd die niet fijn is verlopen, een sterfgeval van een dierbare, geestelijke of lichamelijke mishandeling of vernedering. Het leven bestaat uit prettige en minder prettige ervaringen. Door sommige ervaringen lopen we mentale schade op, waarvan we ons helaas niet altijd bewust zijn. Of waarvan we ons pas vele jaren later bewust worden.

Ik ben een boek aan het lezen van ex-psychiater Bram Bakker met de titel ‘oud zeer’. Normaal gesproken lees ik al lange tijd geen non-fictie meer. Maar de titel van het boek en het feit dat Bram Bakker zijn beroep als psychiater vrijwillig vaarwel heeft gezegd maakte me nieuwsgierig.

Ik herken veel in de kritiek die hij heeft op de reguliere geestelijke gezondheidszorg en het onderverdelen van mentale problematiek op schalen in de DSM, de onwenselijkheid van verslavende psychofarmaca, die het onderliggende probleem niet verhelpen, maar slechts werken als een pleister op een wond. Deze ‘medicijnen’ laten je alleen je ellende via chemische weg vergeten, lossen niets op en hebben bovendien bijwerkingen.

Ook ik had kritiek op de geestelijke gezondheidszorg, toen ik er tijdens en na mijn studie psychologie mee kennismaakte. Ik werkte op een crisiscentrum op de gesloten psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis, waar psychotische mensen gillend binnenkwamen, als begeleider van een groep chronische patiënten in de Willem Arntzhoeve en ik werkte met tbr-gestelden met zware psychische afwijkingen in de van der Hoeven Kliniek. Daar werd me direct al duidelijk dat ik het totaal niet eens was met hoe mensen in geestelijke nood behandeld werden. Anders dan Bram Bakker besloot ik al vóórdat ik een loopbaan begon als psycholoog in de ggz, om af te haken. Ik liep zo een ongetwijfeld mooie carrière mis, maar bleef wel trouw aan mezelf.

Ik vind het fijn om te horen en te lezen dat vandaag de dag meer psychologen en psychiaters vraagtekens durven te zetten achter de gangbare hulpverlening aan mensen die het het niet redden in onze maatschappij vanwege hun mentale problematiek.

Ik ben zelf iemand met veel oud zeer, waarin ik langzamerhand steeds meer inzicht krijg. Ik heb nooit therapie gehad, nooit psychofarmaca ingenomen. Behalve de hasj waarmee ik me de jaren tijdens mijn zeer traumatische eerste huwelijk trachtte te verdoven. Totdat ik inzag dat deze verdoving me niet uit mijn benarde situatie kon halen en ik ermee stopte.

Beetje bij beetje heb ik me op eigen kracht kunnen ontworstelen aan de geestelijke schade die ik overhield aan mijn jeugd en twee eerdere huwelijken. Ik ben niet de enige die verkeerde partners uitzocht, omdat ik meende dat ik ‘niet beter verdiende’, hetgeen samenhing met mijn jeugd.

Maar ik was er tot voor kort nog niet helemaal uit, ondanks het gelukkige leven dat ik nu leid met mijn huidige partner, en dat voelde ik regelmatig. Er zat nog woede in mij en verwarring over de details van een leven vol misbruik. Ik bagatelliseerde de impact daarvan nog steeds, wat invloed had op mijn leven van nu, terwijl ik inmiddels nu bijna 73 jaar tel.

Dankzij het boek van Bram Bakker kwam ik achter bepaalde feiten in mijn leven die ik serieuzer moet nemen dan ik tot nu toe heb gedaan. Ik besloot de angst die in mij ontstaan is onder ogen zien en mijn kwetsbaarheid te durven voelen. Het is alsof er sinds gisteren een last van me af is gevallen. Ik voel me bevrijd en verbittering en een zure kijk op gebeurtenissen en mensen lijken nu plaats te maken voor zachtheid.

Ik wil met het schrijven van dit stukje zeggen dat het lezen van een boek en het herkennen van dingen daaruit therapeutisch kan werken. Elk mens is verschillend en wat iemand nodig heeft om dichter bij zichzelf te komen en de ballast van negatieve ervaringen kwijt te raken is voor een ieder anders.

Ik heb er op grond van mijn eigen ervaring tot nu toe vertrouwen in dat het leven zelf mensen of ervaringen op je pad brengt die je nodig hebt om inzicht te krijgen in jezelf en je eigen handelen. Dat kan voor de één een opmerking zijn die toevallig geplaatst wordt, voor de ander een ontmoeting zijn, voor de ander een film of serie. Of het lezen van een boek, zoals in dit geval mij overkwam.

Religie

Vanmorgen kwam aan de ontbijttafel godsdienst ter sprake en hoe dat een maatschappelijke cultuur beïnvloedt. We hadden het over gastvrijheid en hoe ik die mis in Andalusië. Toen we een keer in Arrahal waren, het dorp waar Ahmad geboren en getogen is, liet Ahmad mij het huis zien waarin hij was opgegroeid. We kwamen toen zijn overbuurvrouw tegen die hij zijn hele leven gekend heeft. Ze maakten een praatje op straat en vervolgens liet de vrouw ons trots haar huis zien. Dat was vreemd voor Spanje, want in Spanje plegen mensen elkaar niet uit te nodigen in hun huizen. Ze ontmoeten elkaar veelal in de talrijke bars. Het is zeldzaam dat iemand die géén familie is een kijkje wordt gegund in het huis van een ander.

De vroegere buurvrouw liet ons dus haar hele huis en patio zien, maar ze bood ons niets aan, nog geen glas water, terwijl ze wist dat we vanuit Malaga waren komen rijden, wat meer dan 200 km zuidelijker ligt. Ik verbaasde me daarover.

‘Dat is zo anders in Pakistan,’ zeg ik tegen Ahmad. ‘Daar is een gast bijna een heilige. Hij wordt met open armen ontvangen. Mensen delen hun laatste eten en staan zo nodig hun bed af en slapen zelf op de grond, als de gast maar niets te kort komt. In de islam staat gastvrijheid hoog in het vaandel’.

‘Volgens mij is dat gebrek aan gastvrijheid niet de typisch Andalusische cultuur,’ zegt Ahamd, ‘maar is dit opgelegd door het katholicisme. Hetzelfde is het geval in Italië. Daar is men ook niet gastvrij voor mensen buiten de familie’. ‘Maar in Griekenland zijn (of waren ze in ieder geval) wel heel gastvrij, zeg ik. ‘Ook daar is men katholiek, maar orthodox en niet rooms. Dat is weer een heel andere cultuur.’ ‘Ja inderdaad,’ zegt Ahmad. ‘Ik ben er steeds meer van overtuigd dat religie, zodra het een machtsbolwerk wordt, steeds meer een hoeveelheid van beperkende en benauwende regels wordt, die mensen verstikken.’ ‘Dat is zo en dat zie je in alle godsdiensten gebeuren,’ zeg ik, ‘en vandaar dat zoveel mensen zich afkeren van elk geloof. Eigenlijk is hetzelfde nu ook aan het gebeuren in de islam. Er zijn een aantal intolerante en liefdeloze imams die mensen bang maken in de moskeeën.’ ‘Bij het ontstaan van de islam was de islam een spirituele realiteit zonder naam en nu is het een naam zonder spirituele realiteit,’ zegt Ahmad. ‘Mooi gezegd,’ antwoord ik.

En dan begin ik over mijn Marokkaanse buurvrouw die laatst aan mijn deur kwam om iets te bespreken over de glazenwasser. Zij vertelde me dat ze met vakantie ging naar Marokko en had het over de betaling van de glazenwasser terwijl zij weg zou zijn. ‘Eigenlijk zouden we hadj gaan doen,’ zegt ze spijtig, maar met alle voorwaarden die men nu stelt en hoe ingewikkeld het is om erheen te mogen was het hun dit jaar niet gelukt toegang te verkrijgen en aangezien ze wel al vakantie hadden genomen gingen ze nu naar Marokko. Ik zei haar dat ik het jammer vond voor haar dat de hadj niet doorging en vertelde dat ik hadj gedaan had in 1999, toen het nog niet zo ingewikkeld was om dat te regelen. Ze was verbaasd. Daar stond zij met haar hoofddoek en keek me aan, terwijl ik daar stond in mijn spijkerbroekie en misschien wel met korte mouwen. ‘Dus je bent eigenlijk hadji,’ zei ze vol ontzag, alsof het een titel betrof of een diploma van goed gedrag. (NB Ik weet dat sommige moslims veel respect hebben voor mensen die hadj hebben gedaan, omdat dit gezien wordt als een soort wedergeboorte, maar voor mij betekent het feit dat iemand die op hadj gaat alleen dat deze het geluk heeft de gelegenheid ervoor te hebben en het geld ervoor over heeft.) Naar haar gezicht kijkend zeg ik: ‘Ik zie er niet zo uit en dat weet ik wel, maar ik wil niet opvallen’. ‘Dat is ook goed,’ haast zij zich te zeggen.

Ik weet dat met name in mijn buurt veel mensen een statement maken dat ze moslim zijn door bepaalde kleding te dragen. Ik heb ook een tijd in mijn leven een hoofddoek gedragen en wijde bedekkende kleding. Ik meende toen (en dat had ik vooral van ‘horen en zeggen’ van de moslims in mijn omgeving) dat dit goed zou zijn en ik ben een pleaser die alles zo goed mogelijk wil doen. Maar na het herhaaldelijk lezen van de Koran in diverse vertalingen heb ik geen bewijs kunnen vinden van de noodzaak van een hoofddoek of wijde kleding voor een vrouw of man. Ik meen dat het vooral gaat om een verzameling ethische regels die universeel zijn en feitelijk in vrijwel alle godsdiensten hetzelfde zijn en zelfs buiten een godsdienst voor elk logisch denkend mens vanzelfsprekend. Dat ik koos voor de islam om mijn religieuze gevoelens vorm te geven is met name omdat ik ontroerd werd door het lezen van de Koran en dat de islam geen paus kent of andere tussenpersoon tussen mij en de Almachtige. Dat imams nu optreden als experts en mensen schrik aanjagen met donderpreken, die hel en verdoemenis als afschrikmiddel gebruiken om allerlei regels aan mensen op te dringen vind ik jammer. Hetzelfde gebeurde en gebeurt nog in de de kerken.

De ‘run’ op merken

Merkkleding, merktassen, merkzonnebrillen, merkschoenen, merkjassen, enz.

Vandaag appte mijn jongste dochter mij of ik met haar mee wil naar een man in Den Haag die een perfecte imitatie verkoopt van een zeer duur merk zonnebril. Ze kent de man niet, maar heeft met hem afgesproken ergens in het centrum van Den Haag. Of ik met haar mee wil rijden. Natuurlijk, want ik vind het altijd gezellig mijn lieve dochter te zien.

De bril is bedoeld voor haar 15-jarige zoon, die ook al loopt met merktruien en merkbroeken en schoenen (maar dan wel de echte). Al mijn kinderen houden wel van een duur merkje voor een tas, horloge, etc. Het zal iets zijn van deze tijd.

Ze zijn geen van vieren opgegroeid met merkkleding en spullen. Al was dit zelfs tijdens hun jeugd al een enigszins aan het opkomen. In de jonge jaren van mijn oudste dochter was het merk LA Gear erg in de mode voor schoenen en ook waren er toen al merkbroeken. Ik kleedde haar leuk door kleding in bijpassend kleuren bij elkaar te zoeken en kreeg vaak complimenten van andere moeders hoe leuk zij eruit zag. Maar de klasgenootjes waren minder complimenteus. Ze vroegen haar een keer welk merk broek zij droeg. Mijn dochter was zich van geen kwaad bewust en ging serieus kijken naar de binnenkant van haar spijkerbroekje om zien of er een merk in stond. Daarmee had ze de spottende lachers van de wrede kinderen op haar hand.

Ik heb er nooit last van gehad dat mijn kinderen zeurden om merkkleding. Het beste qua merken dat de jongens overkwam was dat ze ieder op zekere leeftijd regelmatig een paar Nike schoenen kregen. Daarop liepen ze dan tot ze eruit gegroeid waren. Mijn jongste zoon was tot voorbij zijn puberleeftijd heel zuinig op zijn schoenen. Hij maakte de witte randen steeds schoon met een doekje. Mijn dochters kregen een leren jas en dat was al heel wat.

Maar nu zijn mijn kinderen alle vier in de positie dat ze merkkleding en spullen kunnen betalen en dat doen ze dan ook, de één in ruimere mate dan de ander, zowel voor henzelf als voor hun kinderen. Zij doen dat van hun eerlijk verdiende geld en ik gun het ze van harte, want ik merk ook dat ze nog steeds niet verwend zijn en zelfs de kleinste dingen kunnen waarderen. Datzelfde geldt voor mijn kleinkinderen.

Laatst was mijn op één na oudste kleinzoon bij mij met zijn vriendinnetje. Ik vond dat zij er leuk uitzag. Ze had ook een mooie tas, die haar outfit behoorlijk oppimpte. Ik ging met de app ‘lens’ kijken wat dit dit voor een tas was (ik zoek namelijk zelf toevallig een nieuw klein tasje, omdat mijn oude nepleren tasje versleten is). Ik zag dat het een Ballenciaga tasje was, dat zij droeg. Een tas van om en nabij de 2000 euro!

Als ik het met alle geweld zou willen zou ik zo een tas kunnen betalen in de omstandigheden waarin ik nu verkeer, maar wil ik dat ook? Nee. Ik zoek een crossover tasje, ditmaal van echt leer, dat handig is in het gebruik en er o.k. uitziet. En dat heb ik gevonden, van 70 euro afgeprijsd nu te koop voor 35 euro. Geen idee waarom het tasje is afgeprijsd. Waarschijnlijk omdat er helemaal geen merk op staat. Geen enkel embleempje. Dat vind ik juist heel ‘cool’, net als auto’s waarop geen merk te zien is.

Waarom zou ik reclame willen maken voor bedrijven die al stinkend rijk zijn door reclame die influencers en andere fluistercampagnes verspreiden.

Middelste kleinzoon kwam hondje brengen

Omdat zijn moeder vijf dagen naar Parijs is, om te vieren dat ze nu een jaar gehuwd is met haar grote liefde, kwam haar zoon (net 18 jaar geworden) samen met zijn vreindin hun hondje bij me brengen. Hij kan er ook voor zorgen in het huis van zijn ouders, maar het is voor hem aantrekkelijker om bij zijn vriendin te logeren, waar het eten voor hen wordt opgediend. Dat is begrijpelijk ?.

Ze bleven gezellig met ons babbelen in de tuin en toen ze vertrokken vroeg ik of ik een foto mocht maken van hen bij en in de auto van zijn moeder, waarin hij nu rijden mag zonder volwassene als medepassagier.

Ik vind het grappig om te zien hoe hij in de afgelopen jaren veranderde, zowel van uiterlijk als van vervoermiddel.

mei 2018
dec 2021
juni 2023

Levensstandaard

De levensstandaard voor een flink aantal Nederlanders is hoog, als ik deze vergelijk met hoe het was in de 70er jaren. En de verschillen tussen heel arm en heel rijk zijn groter dan ooit.

In de 70er jaren was het in de kringen waarin ik verkeerde normaal om heel eenvoudig te leven. In het kraakpand waarin ik lange tijd woonde gold het als burgerlijk om bijvoorbeeld op stoelen te zitten. En de bedden waren niet meer dan houten bakken op de vloer. Niemand vond het erg om in de winter te douchen met een open raam, omdat het geisertje op butagas werkte. Misschien is dat wat extreem. Ik heb ook gewoond in een studentenflat met gedeelde keuken en douche maar met een eigen wasbak, wat voor mij heel luxe aanvoelde. Als we verhuisden deden we dat met een grote bakfiets die je kon huren en dat was geen elektrische. Sommigen hadden een auto, maar in de regel waren dat onooglijke oude barrels. Qua kleding was het normaal om in oud uitziende vodden te lopen. Dat was zelfs hip. Een spijkerbroek liet je er oud uitzien door ermee in zee te lopen en aan je lichaam te laten opdrogen. Het was een taboe om over geld te praten of over rijk worden. De arbeider werd in die tijd verheerlijkt en je moest er ‘solidair’ mee zijn. Het waren meestal juist niet de studenten van ‘arme’ komaf die zich zo gedroegen. Al was er ook een andere groep kinderen al dan niet van rijkelui, die liep met blazers en grijze broeken en lid was van een corps, de ‘corpsballen’. Dat zijn ook veelal degenen die later de goede banen kregen. Dat was voorbestemd.

Ik voelde me erg thuis in de tijd van de 70er jaren. Het was voor mij niet moeilijk om me te gedragen als iemand die niets gaf om geld. Ik wás echt zo iemand. Dat geldt niet voor al mijn toenmalige huis- en studiegenoten. Zij vonden mij een vreemde eend in de bijt. Ik wilde bijvoorbeeld wél op een stoel zitten, al was die tweedehands, en niet op een matras op de grond. Dat vonden zij ‘burgerlijk’. Ik nam het ‘solidair zijn met de arbeider’ heel letterlijk en besteedde consequent acht uur per dag aan mijn studie (omdat ik vond dat ik dat aan de maatschappij verplicht was), waardoor ik veel sneller afstudeerde dan de gemiddelde student in die tijd. Ik gaf echt niets om materie of goederen en dat vonden mijn leeftijdgenoten ook raar. Men zei me weleens: ‘Dat gaat vast nog veranderen als je ouder bent en bijvoorbeeld kinderen krijgt’. Maar nee, dat is nooit gebeurd. Ik trouwde drie keer met mannen met weinig geld. Mijn eerste man was zelfs analfabeet en werkte als sorteerder van kleding. Ik heb ervoor gezorgd dat hij werk kreeg als schilder en daarin heeft hij zich kunnen bewijzen als een goed vakman. Hij verdiende meer dan ik wist. Ik kreeg van hem 60 gulden per week en daarvan pikte hij ook nog stiekem geld gedurende de week. Ik was zo naïef dat ik nooit vroeg naar het hoe en wat van zijn inkomsten. Ik werkte er zelf af en toe wat bij in de meest lullige baantjes onder mijn niveau binnen de schooltijden. Zo had ik net genoeg om te overleven.

En nu heb ik dus voldoende geld, samen met mijn lief, om een goed leven te hebben. Ik geniet daarvan en permitteer me veel meer dan toen mijn kinderen nog onder mijn zorg vielen. Zij kwamen voor mij op de eerste plaats qua uitgaven, maar alsnog was dat toen op een bescheiden niveau. Zij hadden geen kamer met eigen tv en pc en ook hadden ze maar één paar goede schoenen. Ze liepen niet over van de spulletjes, maar ik zag altijd dat ze blij waren met wat ze kregen. Ze vergeleken zich niet met andere kinderen.

Nu zie ik dat mijn kinderen leven op een veel hoger materieel niveau dan ik. Het doet mij goed om dat te zien en ook hoe zij daarvan genieten. Maar daarnaast zie ik ook dat zij er heel hard voor moeten werken. Dat heb ik minder gekend in mijn leven. Ik heb gewerkt, maar alleen als het nodig was. Ik werkte om te leven. De laatste 11 jaren voor mijn pensioen was dat in een baan die ook naar mijn hart was. Zo heb ik mijn niet al te indrukwekkende carrière alsnog kunnen beëindigen met gebruikmaking van mijn kennis en levenservaring. Een groot deel van mijn leven heb ik mijn tijd zelf kunnen indelen en ik kon veel thuis zijn voor mijn kinderen.

Toen ik sprak met mijn twee schoolvrienden, P en P, die beiden enorme carrières achter de rug hebben en daar een heel goed pensioen aan hebben overgehouden, zei één van hen dat hij niet met vreugde terugkijkt op zijn werkzame leven. Hij ging elke dag met tegenzin naar zijn werk. Dat lijkt me niet fijn. Ik denk dat geen geld opweegt tegen de vrijheid die je kan ervaren als je je eigen tijd mag indelen en dat niet elke dag uitgestippeld is en op de voorgaande dag lijkt.

Ik had een veelbewogen leven met veel ellende maar ook mooie ervaringen. Ik ben tevreden over mijn werkzame leven dat niet enorm groots te noemen is. Elk werk, hoe ‘minderwaardig’ ook, deed ik met 100% inzet.

Ik ben altijd graag baas geweest over mijn tijd. ‘Time is money’, zegt men. Dan zeg ik op mijn beurt: geef mij de tijd en pak jij het geld maar. De consequentie is dan dat je het doet met minder geld. Maar rijk is niet degene die veel heeft en blijft streven naar meer maar degene die tevreden is met wat hij heeft. Dat ben ik ?.