De twee laatste hoofdstukken uit de Koran

https://koran.nl/soera-113-al-falaq-de-dageraad/

https://koran.nl/soera-114-an-nas-de-mensheid/

Twee belangrijke hoofdstukken uit de Koran die dienen ter bescherming tegen het kwaad dat ons omringt.

Ik moest er vandaag sterk aan denken. Intussen wil ik verder gaan met het schilderen van de zeven paarden, waarmee ik enkele dagen rustig bezig was, me van geen kwaad bewust. Sommige reacties kunnen beter genegeerd worden. Ik zoek mijn toevlucht……..

Bijgeloof in islam

Ik ben nog steeds moslim, nu 43 jaar, en dat zal ik ook blijven tot mijn dood. Dertig jaar verdiepte ik me in deze godsdienst door de Koran herhaaldelijk te lezen in verschillende vertalingen alsmede andere boeken over islam, zoals de hadith en diverse soefi-literatuur. Ook ging ik met moslims om van allerlei richtingen, want ook de islam kent vele stromingen. Veel van wat ik hoorde en las nam ik aan als waar, maar er is ook veel dat ik opvat als bijgeloof. Ik kan daarvan talloze voorbeelden geven.

In Pakistan leerde mijn familie mij dat je nooit een slipper per ongeluk met de zool naar boven mocht laten liggen. ‘Dan wordt Allah boos,’ werd me gezegd. Sommige mensen zeiden me dat je nooit de rituele wassing mocht verrichten in de douche, omdat je dan naakt was. Je zou ook nooit de naam van Allah mogen gebruiken in een sanitaire ruimte, omdat die onrein zou zijn en een plek waar de shaitan (satan) zich zou ophouden.

Verder is er natuurlijk het mooie verhaal van Ibrahim (Abraham), die van Allah opdracht kreeg zijn zoon te offeren. Een opdracht die indruiste tegen elk vadergevoel. Maar Ibrahim wist dat Allah nooit zomaar iets vroeg en dat hij moest gehoorzamen. Ook zijn zoon Ismael was het daarmee eens. Toen Ibrahim uiteindelijk de keel van zijn zoon wilde doorsnijden bleek het mes ineens bot te zijn en niet te willen snijden. Ibrahim wierp in frustratie het mes van zich af en zag tot zijn verbazing dat het een rots doorkliefde. Zo scherp bleek het mes toch te zijn. En direct daarop zag hij een schaap/ lam en hoorde hij Allah de geruststellende opdracht geven dat hij niet zijn zoon maar dat schaap moest offeren. Zijn rotsvaste geloof in Allah was op de proef gesteld en hij had de kwelling doorstaan.

Naar aanleiding van bovenstaand verhaal wordt door veel moslims jaarlijks een lam of ander dier geofferd. Ik heb dat nooit begrepen. Wat heeft het jaarlijks ritueel doden van een dier te maken met blinde gehoorzaamheid aan Allah? Want dat is wat het verhaal van Ibrahim en zijn zoon mij leert. Dat je soms een opdracht van Allah moet volgen, ook al druist deze in tegen wat je ego van je wil. Maar met het slachten van een dier heeft dat niets te maken. Dus ik heb dit gebruik nooit begrepen en er nooit aan meegedaan. Ik vroeg weleens aan andere moslims waarom zij wel jaarlijks een dier lieten slachten of met een groep anderen daaraan meededen? ‘Omdat het heel belangrijk is om in de hemel te komen,’ kreeg ik als antwoord. Want de weg naar het paradijs zou heel smal zijn en over een afgrond van vuur leiden. De brug was zo smal als een mes, zo werd me verteld. En als je braaf jaarlijks schapen of geiten had geslacht, dan zou je op de rug van een geit die brug kunnen oversteken. Dat kwam op mij heel opportunistisch over. Eerst jarenlang zo een dier slachten en dan ook nog gebruik maken van het dier als vervoermiddel om in de hemel te komen.

In Mekka, toen ik daar in 1999 was voor de hadj, zag ik op straathoeken resten liggen van slachtdieren (huid, ingewanden en afgekeurd vlees). Het kwam op mij heel respectloos over om de restanten van de offerdieren zo achter te laten.

Toen Ibrahim met Ismael onderweg was naar de offerplaats, waar Ismael geofferd zou worden, kwamen zij de duivel tegen (die toen nog verscheen aan mensen). De duivel probeerde Ismael te beïnvloeden. Hij moest het niet accepteren dat zijn vader wilde gehoorzamen aan zo een idiote opdracht. Deze opdracht kon toch niet afkomstig van Allah zijn? Op een goed moment was Ismael het gezeur van de duivel zat en hij gooide een steen naar de duivel. De steen raakte de duivel in één oog, waardoor de duivel vanaf dat moment aan één oog blind zou zijn, zo luidt het verhaal.

Naar aanleiding van deze gebeurtenis is het de gewoonte dat tijdens de hadj de bedevaartgangers in Mina ook stenen gaan gooien naar een pilaar. De dag ervoor moesten we stenen zoeken en deze in onze zak stoppen om er de dag erna mee te kunnen gooien. Ik heb niet meegedaan met het gooien. Ik schrok van de enorme agressie waarmee er gegooid werd naar de pilaar, met name door mannen. De vrouwen hielden zich meer afzijdig van dit gebeuren. Terwijl de menigte aan het smijten was met die stenen, zag ik een gedeeltelijk ontklede bedelaar op de grond liggen. Hij had een vreselijke ziekte. Het leek of zijn lichaam in staat van ontbinding verkeerde, terwijl de man nog in leven was en met geheven armen naar de voorbijgaande meute omhoog keek. Ik heb nog nooit zoiets verschrikkelijks gezien als deze man met dat loslatende vel. Niemand leek acht te slaan op deze verloren figuur.

Het gebruik van gooien met stenen naar een pilaar heb ik nooit kunnen plaatsen.

Terwijl anderen zeggen dat zij de ervaring van de hadj geweldig hebben gevonden, heb ik die ervaring minder. Veel rituelen kwamen op me over als bijgeloof en niet de kern van het geloof, zoals ik dat beleef, rakend.

Kijken en luisteren zonder oordeel

Dat is zo moeilijk. En nu, in deze tijd, lijkt het wel of iedereen zich laat gaan wat betreft oordelen en zelfs veroordelen. In de media, op tv, in recensies, op twitter, op straat, kortom overal zie je mensen oordelen, meningen geven en meestal hebben die een negatieve strekking. Een verzuurd met elkaar omgaan, waarin je ziet dat mensen steeds meer tegenover elkaar staan in plaats van naast elkaar. Het gelul over ‘woke’ zijn ten spijt, blijven mensen elkaar discrimineren op grond van godsdienst, kleur, seksuele geaardheid, opvattingen, uiterlijk, intelligentie en ga maar door.

Was ik maar anders. Ik betrap mezelf erop dat ik ook nauwelijks nog ergens naar kan kijken of luisteren zonder direct een mening klaar te hebben. Of die nu positief is of negatief, ik word daar doodmoe van en ik heb het idee dat elke ongevraagde mening die in mijn hersenen opduikt mijn blik en gehoor alleen maar vertroebelen. Ik wil er vanaf!

Grandsheikh Abdullah ad Daghestani zei een eeuw geleden: ‘wees niet de vijfde getuige’. Dat wil zeggen oordeel niet! Oordelen is aan Allah/God, de twee engelen en de profeet. Die vormen de vier getuigen van al je daden. Maar wees niet de vijfde getuige, als het gaat om het oordelen over een ander.

Vanmorgen heb ik na het bidden Allah gevraagd om me te helpen bij het afleggen van de vervelende eigenschap om te oordelen over een ander. Ik kan een mening hebben in mijn gedachten. Gedachten laten zich moeilijk sturen. Maar laat ik op zijn minst mijn mond houden en mijn mening (welke die ook is) voor me houden. Als ik dat een tijd oefen, dan kom ik misschien uiteindelijk zover dat een oordeel niet eens meer in mijn gedachten opkomt. Ik wil vrijuit kijken en luisteren, ongehinderd door mijn eigen (voor)oordeel.

Inshaallah. Moge Allah me helpen, want zonder hulp gaat het mij niet lukken

Siratal mustaqim (de juiste/rechte weg)

Het is vervelend om het te moeten bekennen, maar de laatste tijd bekruipt me een onprettig gevoel als er wordt gesproken over moslims, islam, etc.

Zo trots als ik was op deze in mijn ogen mooie religie toen ik net de Koran had gelezen en me bekeerd had (in 1978), zo beschaamd voel ik me nu voor het gedrag van zovelen die zeggen te handelen in naam van de Islam. Ik voel me niet verwant met andere moslims, voor zover ik me dat ooit al gevoeld heb. Ik heb sinds mijn moslim zijn enerzijds te maken gehad met onbegrip van niet-moslims in mijn omgeving en anderzijds met een totale non-acceptatie van de moslim gemeenschap, waarvan ik voor mijn gevoel dan ook geen deel uitmaakte. Misschien was dat wel enigszins zo in de periode dat ik in Pakistan verbleef en daar samenleefde met mijn vrome schoonfamilie. Maar ook zij zagen me waarschijnlijk als een onwetend buitenbeentje dat wel erg haar best deed. Mijn ex was een blowende ´moslim in naam´, die zich niets aantrok van de de vijf pilaren van de islam. Ik beleefde mijn geloof jarenlang in eenzaamheid.

Daar kwam verandering in toen ik me, niet lang na na mijn scheiding, aansloot bij een groep sufi´s. Ik deed ´bayat´ in de Naqhsbandi Trariqat (tariqat betekent pad) en legde op die manier een eed van trouw af aan deze sufi-weg.

Daarna volgden jaren van deelname aan de activiteiten van deze groep, de wekelijkse zikr, het afreizen naar Londen en Duitsland tijdens de Ramadan en later naar Cyprus om te kunnen bidden achter sheikh Nazim en zijn sohbets (soort lezingen in de vorm van advies, ´naseeha´) te kunnen aanhoren. Godsdienst is in mijn ogen niet meer dan advies voor goed gedrag en intenties en ik liet me dat advies smaken als een dorstige zuigeling. Het was alsof alle zingeving en troost waarnaar ik mijn hele leven gezocht had samenkwamen in deze sohbets van mijn leermeester sheikh Nazim. Het was een mooie tijd. Ik denk dat ik dankzij deze wijze lessen met inspiratie en geduld mijn vier kinderen heb kunnen opvoeden en alle problemen uit die tijd het hoofd heb kunnen bieden. Ook heb ik nooit verdere hulp nodig gehad voor het verwerken van mijn jeugd en latere ervaringen. Alles viel voor mij in psychologische zin op zijn plek. Jarenlang las ik alleen maar boeken over islam en soefisme. Ik keek geen tv en las geen boeken over andere onderwerpen, omdat ik dat in die tijd tijdverspilling vond. Ik heb een kast vol met deze boeken, die ik las en soms ook herlas.

Sheikh Nazim leeft niet meer en er is voor mij geen reden meer om af te reizen naar de plekken waar hij zijn inspirerende sohbets deelde met zijn leerlingen. De boeken over soefisme, de koran en de hadith heb ik gelezen en herlezen. Ik lees nu al jaren geen boek meer over islam en ga me nu te buiten aan andere boeken, romans en tv-series, waarvoor ik mijn hele leven nooit tijd heb gehad. Ik meen dat ik nu weet wat er te weten valt over het geloof en daarnaar wil ik handelen.

Voor mij is God of Allah te groot om te passen in slechts één netwerk van regeltjes van één kerk of één leer. Ik zie overeenkomsten in alle geloven en heb de overtuiging dat alle profeten kwamen met dezelfde boodschap. Daarom begrijp ik de godsdienststrijd die mensen tot op heden voeren niet. Ik bespeur evenveel goedheid of slechtheid onder gelovige mensen als onder ongelovige mensen. Voor mij telt hoe en vanuit welke bedoeling iemand handelt en dat kan goed of slecht zijn, ongeacht wat iemand gelooft. Een geloof kan een houvast bieden voor mensen en de boodschap van elk geloof is in wezen dezelfde. Kijk maar naar de volgende twee gebeden, de één is een beknopte samenvatting van het islamitische geloof en de ander een samenvatting van het christelijke.

Openingsvers in de Koran

  1. In de Naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle
  2. Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden.
  3. De Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.
  4. De Heerser op de Dag des Oordeels.
  5. U alleen aanbidden wij en U alleen vragen wij om hulp.
  6. Leid ons op het rechte pad.
  7. Het Pad van degenen aan wie U gunsten heeft geschonken, niet van degenen op wie de toorn rust en niet dat van de dwalenden.

Het ´onze vader´

Onze Vader die in de hemelen zijt
Uw naam worde geheiligd
Uw koninkrijk kome
Uw wil geschiede
Op aarde zoals in de hemel

Geef ons heden ons dagelijks brood
En vergeef ons onze schulden
Gelijk ook wij aan anderen vergeven
En leidt ons niet in verzoeking
Maar verlos ons van de boze

Want van U is het koninkrijk
En de kracht en de heerlijkheid
Tot in eeuwigheid
In eeuwigheid

Amen

Bangerd

We zouden vandaag naar Benalmadena gaan. Na het ontwaken maken we onze ochtendwandeling.

Als ik de middelbare scholieren naar school zie gaan komt weer de stress van vroeger van proefwerken en examens bij me boven. Wat ben ik blij daar vanaf te zijn…
De dorpelingen zorgen goed voor de talrijke zwerfkatten.
Die houdt ervan het gezellig te maken ?

Daarna, aan het ontbijt, vraag ik Ahmad: ´Heb jij zin om naar Benalmadena te gaan?´ Hij antwoordt dat hij het voor mij doet, omdat hij denkt dat ik het misschien leuk vind om te kijken in een winkeltje daar, waar ik al een paar keer kleren heb gevonden die ik bij me vond passen.

´Eigenlijk bedoelde ik meer dat ik erheen wilde op mijn verjaardag in oktober, als een soort uitje om die dag speciaal te maken´, zeg ik. Maar ik heb momenteel helemaal geen kleding nodig. ´Wat wilde jij eigenlijk vandaag doen?´ vraag ik hem. Hij wilde de versieringen van glas in lood afmaken, die hij gemaakt heeft voor zijn dochters.

Dit wordt een mobile aan bamboe voor zijn oudste dochter
Voor zijn jongste dochter een decoratie in tiffany van Luna, haar onlangs overleden katje, die samen met haar sliep onder de dekens met alleen het koppie erboven

Even later aan de afwas bedenk ik me dat ik een bangerd ben geworden. Ik ben graag thuis, veilig binnen. Misschien komt het door de lockdown dat ik nu zo goed besef hoe fijn ik het vind om in ons huis te zitten, zowel hier als in Nederland.

Vroeger was ik anders en kon ik vaker drammen dat ik erop uit wilde. Die druk om dat te willen kwam, denk ik achteraf, van buitenaf. En die druk komt dan weer vanuit het vooroordeel dat je meer plezier zou hebben als je veel buitenshuis onderneemt. Alle ongelukken die ik heb gehad waren buitenshuis. Als we die ene dag niet waren gaan wandelen op de berg, had ik mijn heup niet gebroken. Ineens krijg ik ook de angst dat we een ongeluk kunnen krijgen in de auto onderweg naar Benalmadena. Ik zou mezelf dan tot in lengte van dagen blijven verwijten dat het mijn schuld was (als we het al overleven).

Ik loop naar Ahmad en vertel hem mijn gedachten. Hij lacht en troost me en zegt dat ik niet bang hoef te zijn.

Ik besef wel dat je jezelf niet kan verstoppen voor het lot door je op te bergen in een gewatteerd doosje. Maar geluk is zo broos en kan zomaar verdwijnen. Ik wil het lot ook niet onnodig tarten. De woorden van wijlen mijn leermeester sheikh Nazim komen in mijn gedachten. ´Mensen blijf in je huis en ga niet onnodig de straat op´, placht hij te zeggen. ´Vermijd plaatsen waar veel mensen bij elkaar zijn.´ De beste plek is binnenshuis op je bidkleedje. Hij waarschuwde, al een tiental jaren voor de uitbraak van COVID, voor een virus waartegen de mens (die zich oppermachtig waant) geen verweer heeft. Hij zag veel latere gebeurtenissen al aankomen, de opkomst van het salafisme en de onderlinge haat tussen mensen.

En nu voel ik me nu al een aantal jaren perfect gelukkig binnen de muren van mijn huis. Natuurlijk geniet ik ook van buiten zijn en mensen en dieren zien en de natuur, maar ik zie er het nut niet zo van in om al te vaak en onnodig de buitenlucht op te zoeken. Bij het doen van je dagelijkse dingen komt als vanzelf genoeg buitenlucht voor. Je moet sowieso de straat op voor je boodschappen en andere zaken en soms om mensen te ontmoeten of familie.

Vandaag blijven we dus thuis. Ik kan beginnen met schilderen, maar ook daarvoor ben ik nu een beetje angstig. Ik heb al zo lang geen kwast in mijn handen gehad. Schilderangst heet dat. Het komt meer voor. De gedachte dat je er eigenlijk niets van kan en dat het schilderij niet gaat lukken. Maar dat is dan ook het ergste wat kan gebeuren en dat valt reuze mee. Dus vandaag misschien beginnen. Maar eerst nu even fietsen op de mijn ´homie´fiets, kijkend naar het vierde seizoen van ´Snowfall´. Het canvas loopt niet weg.

Voor het eerst echt tevreden met schilderij

Op instagram en You Tube volg ik veel schilders. Daar leer ik van, maar ik wordt er ook weleens moedeloos van. Er zijn zoveel goede schilders die het veel beter doen dan ik. Zij zijn vaak al begonnen op jonge leeftijd, terwijl ik een autodidact ben, die pas begon te schilderen toen zij al 68 jaar was, zonder enige ervaring of kennis van het het vak.

Ik bood mijn schilderwerk een tijdje aan op marktplaats, maar ben daarmee gestopt, omdat er weinig tot geen belangstelling is voor wat ik maak en het me ook niet te doen is om wat te verkopen. Wel wil ik dat mensen graag naar mijn werkjes kijken en er een beetje blij van worden. Maar zelfs dat is niet altijd het geval. Vanuit diverse hoek krijg ik naast complimenten kritiek en wordt er soms zelfs lacherig gedaan over de gelijkenis die ik probeer op het doek te krijgen (portretten hebben mijn voorkeur). Dus laatst besloot ik rigoureus te kappen met mijn werk te plaatsen op marktplaats en ook voor niemand meer te schilderen dan voor mezelf. Als ík er maar goesting in heb.

En toen maakte ik in slechts enkele uurtjes dit zelfportret, waar ik zowaar tevreden over ben. Het is me opgevallen dat tekeningen of schilderijen die snel lukken meestal de beste zijn. In het begin van het karwei is er nog spontaniteit bij het zetten van de penseelstreken. Hoe meer je begint te knoeien met verhoudingen en dergelijke, hoe moeizamer het wordt. Als het niet direct lukt, wordt het meestal daarna ook niks.

Deze vind ik goed gelukt.

Ik heb besloten me er weinig of niets meer van aan te trekken wat een ander ervan vindt. Schilderen is beslissingen nemen en daarachter blijven staan. Ik ben ook gestopt met eerst de figuur te tekenen. Ik schilder direct de contouren met penseel en daarna kijk ik naar de vlakken van donker en licht. Dan kom ik pas op het laatst toe aan de details. Dit heb ik niet van mezelf, maar van YouTube geleerd. En het blijkt te werken en het proces te versnellen.

De foto is een oudje. Hij dateert uit 2006. Ik was toen in Cyprus bij mijn leermeester sheikh Nazim (moge Allah zijn mooie ziel voor eeuwig zegenen) en ik was heel gelukkig. Wat ik daar in mijn hand heb is een miswak.

Gelukkig

De laatste tijd schrijf ik weinig of eigenlijk niet in mijn weblog. Er valt weinig te schrijven. Behalve het feit dat Ahmad en ik zielsgelukkig zijn. Maar dat lijkt me erg saai en misschien zelfs irritant voor de lezer.

Bijna elke dag zeggen we tegen elkaar dat we maar niet kunnen bevatten hoe gelukkig we zijn. Wie had kunnen denken dat twee mensen, die een groot deel van hun leven zo ver verwijderd van elkaar hebben doorgebracht, elkaar nu zo nabij zijn en zich zo op hun gemak voelen bij elkaar.

Op jonge leeftijd (ik was een jaar of 24) maakte ik een tekening met een gedicht erbij. De tekening stelde een vlakte voor met twee bomen, die ver van elkaar verwijderd stonden. Het gedichtje erbij had ongeveer de volgende inhoud: dat wij (de bomen) ver van elkaar af stonden, maar dat onze wortels al samen vergroeid waren en dat onze takken ook naar elkaar toe zouden groeien.

Nu denk ik achteraf: dat waren wij!

We genieten elke dag van alle kleine dingen samen. Opstaan en dan ontbijten met uitzicht vanaf de eettafel op de tuin, waar we vogeltjes zien af en aan vliegen om te genieten van de diverse feestmalen, die aan de bomen hangen. Vervolgens hebben we een soort routine van ‘ieder voor zich bezig zijn’, soms bij elkaar in het ‘atelier’, dan weer afzonderlijk van elkaar. Maar altijd delen we samen de koffie- en maaltijd momentjes. Als we met elkaar praten, hoe verschillend onze taalachtergrond ook is, verstaan we elkaar heel goed. We zijn nog altijd verliefd en daar lijkt nooit een einde aan te komen. We kennen elkaar steeds beter. Elke dag is een geschenk.

Sorry lezer. Meer is er niet te zeggen. Behalve dat ik vervuld ben van een diepe dankbaarheid. Soms zie ik flarden van mijn leven terug en bekruipt me het bijbehorende beklemmende gevoel van gevangen zitten in een heel nare situatie, waaruit ik dacht me nooit te kunnen bevrijden. Dan besef ik dat ik gered ben door een onzichtbare hand.

Al beluister ik de video’s van Krishnamurti en anderen, die niet in een god geloven, niemand kan mij ervan overtuigen dat God niet bestaat. Ik geloof niet alleen maar in God/Allah. Ik wéét dat Allah er is. Dat heb ik op veel momenten in mijn leven mogen ervaren. En dat ervaar ik elke dag. Nu in mijn gelukkig zijn en vroeger in mijn ongelukkig zijn. Toen was Allah troost voor mij. Allah is er altijd, was er altijd en zal nooit sterven.

Hier volgt een saai filmpje bij een saai bericht. Maar iets hoeft niet heel spannend te zijn om gelukkig te maken. Geluk zit in kleine dingen, zoals het horen van een merel die fluit of het ruiken aan een geurige roos, een glimlach van een persoon of een hondje dat kwispelt, wanneer het je herkent. Geluk zit hem in het gewone voor mij. Een leven mogen leiden zonder angst, stress of pijn is al geluk.

Lief dagboek

Waarom schrijf ik eigenlijk? Waarom zet ik mijn wel en wee op het internet? Waarom niet in een papieren dagboek met een slotje? Wil ik dan dat men mijn stukjes over mezelf en anderen leest?

Zo ben ik wel begonnen aan dit weblog. Met de gedachte dat mensen het misschien leuk vonden om mijn schrijfsels te lezen en er wellicht zelfs iets in zouden herkennen van zichzelf. Ook wilde ik toen nog graag delen hoe ik mijn geloof beleef en info geven over de islam als godsdienst, waarin ik me een dertigtal jaren intensief heb verdiept. Maar daarvan is de lol er voor mij al lang af. De beleving van de islam als godsdienst is langzaam maar zeker overgenomen door salafisten, die gesubsidieerd door olielanden als Saoedi Arabië, hun versie van de islam prediken in moskeeën overal ter wereld en mensen de stuipen op het lijf jagen met dreiging van hel en verdoemenis. Ik merk dan ook dat mijn artikelen over islam steeds minder gelezen worden, omdat mensen mij al lang niet meer zien als iemand die enige kennis van de islam als godsdienst zou kunnen hebben. Ze kunnen immers een foto van mij zien in de reacties: een Nederlandse vrouw zonder hoofddoek. Wat zou zo iemand nu kunnen vertellen over islam, als zij niet eens het fatsoenlijke ‘uiterlijke kleed van de moslima’ (zoals zij menen dat dat is voorgeschreven) draagt. Dus nu klikken de meeste lezers snel weg uit de artikelen van deze ‘nepmoslima’. Het is me om het even. Ik heb mijn zegje over godsdienst gedaan en houd verder voor het grootste deel mijn mond over dit onderwerp. Ik hoef er niet zo nodig meer iets over kwijt. Ik ben tot de conclusie gekomen dat het uiteindelijk gaat om daden en intenties. Alle heilige boeken kan je, volgens mij, zien als een leidraad voor het leven. Maar het gaat uiteindelijk om het in praktijk brengen van alle goede raad. En daarin heeft een ieder zijn of haar eigen weg te gaan en daarbij heeft iedereen de hulp van het stemmetje van zijn of haar geweten.

De regels zijn zo simpel en liggen al verborgen in oude gezegden. ‘Wat u niet graag geschiedt, doe dat ook een ander niet’. De tien geboden die Mozes aantrof zijn al een goede aanwijzing van do en don’ts. En daar heeft de bijbel de mooie bergrede van Jezus en andere leerzame voorbeelden aan toegevoegd. De Koran is de ‘ontbrekende steen’, die alle oudere godsdiensten verbindt. Hoeveel instructies heeft een mens nodig? Er is voldoende wijsheid voorhanden. Maar het gaat om de praktijk. En het ‘kleed van devotie’ zit hem niet in een lange boernoes of baard of een hoofddoek van een meter, maar zit hem echt in intentie en gedrag.

Dus daarover ben ik uitgepraat. Er zijn bibliotheken met boeken die meer kunnen vertellen dan ik.

Soms denk ik erover met dit weblog te kappen. Het schilderen (met name van portretten) boeit me veel meer en geeft me nu meer voldoening. Ik houd van concrete resultaten en woorden zijn vluchtig, tenzij ze gedocumenteerd worden. Dit weblog zal sowieso verdwijnen met mijn dood. Woorden die vervliegen in de wind des tijds.

Toch ga ik nog even door met schrijven, omdat het mij goed doet mijn hart te luchten in de ether. Ik heb echt niets te verbergen en dus mag iedereen het lezen. Dat ik het op internet zet geeft mij het gevoel dat ik misschien hier of daar een onbekende vriend of vriendin heb, die het wel leuk vindt af en toe wat van mij te lezen. Een verbindingsdraadje naar de buitenwereld. Want verder zit ik het grootste deel van de dagen in mijn binnenwereld of in mijn kleine kring van geliefden, buren en zeldzame vriendschappen.

Hemelvaartsdag en eid ul fitr (het suikerfeest/einde van de maand ramadan) vielen vandaag samen.

Dat vond ik een mooie samenloop van omstandigheden. Toevallig is mijn zoontje Imran geboren op 4 mei (de dag van de dodenherdenking) en overleden op 8 mei (de datum die in 1986 samenviel met hemelvaartsdag). Op de dag van eid ul fitr is het gebruikelijk graven te bezoeken van overledenen. Aangezien deze dag vandaag ook nog samenviel met hemelvaartsdag kon het geen betere dag zijn om naar Utrecht te gaan om het grafje van mijn zoontje te bezoeken en hem te eren met nieuwe plantjes en gebeden.

Al vroeg vertrokken we naar de begraafplaats Kovelswade, waar Imran begraven ligt op het islamitische gedeelte. Ik vind de Kovelswade een schitterende begraafplaats met een prachtige bosrijke beplanting. De begraafplaats is goed onderhouden en overal zijn kranen met gieters en grafvazen en schepjes voor een ieders gebruik. Het islamitsiche gedeelte is een zonnige weide met een plek om de rituele wassing te verrichten en eveneens gieters en andere benodigdheden voor een ieder. Het was nog heerlijk rustig op de begraafplaats en je hoorde de vogels vrolijk fluiten. Het moet voor hen ook een fijne plek zijn. Aan diverse bomen zag ik nestkastjes hangen.

We bekleedden het grafje met de plantjes die wij gisteren kochten en zetten, zoals altijd, wierrook. Het was heerlijk om even daar te zijn. Al on 11.30 waren we weer thuis.

Wonderlijke belevenis in Mecca

In 1999 deed ik de hadj, de pelgrimsreis, waarvan men zegt dat elke moslim deze moet trachten de verrichten tijdens zijn of haar leven, indien mogelijk.

We gingen in februari 1999 met een grote groep Naghsbandi murids (leerlingen van de Naqhsbandi Sufi Orde) uit verschillende landen van Europa. Het was een low budget reis met bescheiden accommodatie. Overwegend sliepen we in rijen op de grond in huizen die daarvoor ter beschikking werden gesteld door de bewoners. Eerst gingen we met het vliegtuig naar Madrid, waar we ons verenigden met een grote groep murids uit Spanje. Ik weet nog dat we daar op het vliegveld gingen bidden. Een hele vertoning was dat. Daarna vervolgden we onze reis met het vliegtuig naar Damascus. Diep in de nacht kwamen we daar aan, waarna we in een aantal bussen wegreden en gedropt werden in de smalle straatjes rond de dargah bij het graf van sheikh Abdullah ad Daghestani. Ik zie me nog lopen met mijn plunjezak langs de straatjes, zoekend naar een plek waar ik welkom was om mij te slapen te leggen. Overal werd me verteld door andere murids, die al een plek veroverd hadden, dat het vol was. Ten einde raad ging ik uiteindelijk de kleine moskee in en ik vond een plek om te slapen pal naast de graftombe van sheikh Abdullah ad Daghestani. Ik werd ook daar verjaagd door een mannelijk murid, die me verwees naar een trap die omhoog leidde naar een kleine plek, waar vrouwen hoorden te bidden. Rillend van de kou probeerde ik daar in slaap te vallen. Ik had geen deken meegenomen en geen slaapzak. Het was in die tijd in Damascus overdag heel warm en in de nacht behoorlijk koud.

We beleven een tijd in Damascus en bezochten daar een aantal heilige plaatsen en moskeeën waar we gingen bidden en zikr deden en hadra (dat is een soefi-ritueel van aanroepingen, lofzangen en gezongen gebeden dat vaak door broederschappen uitgevoerd wordt). Overal werden we met open armen ontvangen als murids van sheikh Nazim, die erg geliefd was in Damascus.

Vervolgens gingen we met bussen via Jordanië naar Saoedi Arabië. Het is niet eenvoudig om het heilige gebied rond Mecca en Medina binnen te gaan. Je moet een ‘bewezen’ moslim zijn (hetgeen bevestigd moet worden door een moskee). Een vrouw moet begeleid worden door een man (echtgenoot of ander familielid) en als zij die niet heeft kan zij ook ‘beschermd’ zijn door een mannelijke leider van een grotere groep personen. Onze groep van minstens 300 murids had ook een leider, de uit Duitsland afkomstige ‘sheikh’ Hassan. Ik kan me herinneren dat de wachttijd aan de grens van het heilige gebied zeer lang was. De paspoorten van iedereen werden ingenomen en zouden pas worden teruggegeven bij het uitreizen.

We gingen eerst naar Medina, waar zich het graf van de heilige profeet Mohammed bevindt, met naast hem zijn beste vriend Abu Bakr. Alvorens de overigens prachtige moskee in te gaan werden we helemaal gefouilleerd en werd de inhoud van onze eventuele tassen geïnspecteerd. In het geval van de dames werd dit gedaan door zwartgesluierde jonge vrouwen met zwarte handschoenen. Camera’s waren verboden en ook boeken, die beschouwd werden als ‘shirk’, zoals sufi literatuur. Een Koran mocht je wel meenemen. We bleven voldoende lang in Medina om de 40 gebeden, die je in de moskee kan verrichten gedaan te hebben. Ik merkte wel dat veel murids dat niet echt belangrijk vonden en maar wat rondhingen. Ik was daar een braaf meisje (van toen 48 jaar), dat probeerde alles wat heilig was ten uitvoer te brengen. Dus ook vroeg in de ochtend kon je mij, geheel in het zwart, naar de moskee zien lopen. Overdag was de moskee zo vol dat de vrouwen soms buiten moesten bidden, wat niet meeviel onder al die zwarte kledij in de brandende zon. Ik was het meest onder de indruk van de geur die ik rook, toen ik langs de Jannatul Baqi liep. Een heel eenvoudig uitziende begraafplaats, ogenschijnlijk gewoon een zandvlakte. Daar liggen veel heiligen begraven. De geur die ik daar onverwacht rook, toen ik erlangs liep, was onbeschrijflijk lekker. Dezelfde geur heb ik ook later geroken rond de kaaba en op sommige andere heilige plaatsen.

Na Medina gingen we naar Mecca, waar de hadj zou plaatsvinden. We werden met de bussen afgezet in een buitenwijk van Mecca. Daar zouden we logeren in een huizen die door de bewoners tijdelijk verlaten waren (onderverhuurd). Wij sliepen daar ook weer in rijen op de grond, uiteraard de vrouwen gescheiden van de mannen. Ook al was je getrouwd, er was geen gelegenheid om met je man te slapen.

Nu was het zo dat ik al een tijdje me ontfermde over een oudere Pakistaanse dame. Ze deed me een beetje denken aan mijn ex-schoonmoeder. Zij was, schat ik, een jaar of 65 en dat was toen in mijn ogen oud. Ik droeg vaak haar tas, want zij was niet zo gezond. De andere Pakistaanse vrouwen lieten haar links liggen en misschien wel daarom zocht zij haar troost bij mij.

Toen we aankwamen in het huis in die buitenwijk waar we zouden slapen wenkte ze mij. Met een geheimzinnig gezicht zei ze dat ze een verrassing voor me had. Wat dan? wilde ik weten. Maar ze zei alleen maar: ‘Kom nou maar mee. Dan zie je het wel’. Voor ik het wist zaten we in een taxi en na een lange rit door heel veel straten bereikten we het heilige centrum van Mecca, de moskee met in haar midden de kaaba. De vrouw was diep ontroerd dat ze de kaaba zag. Mij deed het niet direct veel.

Enfin, toen we de kaaba gezien hadden moesten we terug naar waar we vandaan kwamen. Maar waar was dat? Zij wist het niet en ik ook niet. Zij had er niet aan gedacht om voor ons vertrek naar het adres te vragen waar we verbleven. Ik, in mijn argeloosheid en doodmoe van het reizen, de hitte en het gedoe om met zoveel mensen zo lange tijd samen te zijn, ook niet. Wist ik veel dat ze me mee ging nemen naar een plek ver weg. Sufkop die ik was.

We stapten weer in een taxi, maar waar moest de man heen rijden? We wisten het niet. De man sprak wel een beetje Engels (wat al heel wat was in dat deel van Arabië, waar veel Arabieren het vertikken om een vreemde taal te spreken), maar hij kon ons ook niet helpen. Er waren op dat moment ongelooflijk veel mensen in Mecca uit alle delen van de wereld voor de hadj. Wij verbleven niet eens in een hotel maar in een gewoon woonhuis in een of andere buurt, maar welke? Mecca is groot! Op een goed moment werd de chauffeur ongeduldig en hij zette ons gewoon ergens af. Wij sjokten in onze bloedhete moslimaplunje langs de weg, totaal niet wetend wat te doen. Het was een angstig moment.

Het lopen bracht ons ook niet verder dus we hielden weer een taxi aan. Zeiden dat hij een beetje naar de buitenwijken moest rijden en ik gaf op gevoel een richting aan. Dat deed hij. We waren allebei behoorlijk radeloos inmiddels.

Maar……ineens zag ik een viaduct dat ik herkende, omdat ik het ook gezien had vanuit de bus toen we aankwamen. ‘Dat viaduct herken ik,’ riep ik uit. ‘Hier links moet de wijk waar we moeten zijn ongeveer liggen. Sla maar linksaf en dan stappen we uit.’ Dat deed hij. En werkelijk. We waren aangekomen in de wijk waar we moesten zijn. Een godswonder, als je je bedenkt hoe groot Mecca is en hoe klein de kans was dat de chauffeur toevallig langs dat viaduct reed, dat ik ook al toevallig eerder had opgemerkt vanuit de bus.

Nog natrillend van de zenuwen en oververhit van de reis kwamen we bij het huis aan waar we moesten zijn.

Vandaag en gisteren kwam deze herinnering steeds in mijn gedachten. Ik zei tegen Ahmad: ‘Als we toen de weg terug niet hadden gevonden, dan weet ik niet wat er van ons geworden was. Verdwaald, zonder geld, zonder extra kleding, zonder paspoort in een stad die vergeven is van de pelgrims. Wie zou ons helpen? En zou de leider van onze groep van 300 man ons actief gaan zoeken en hoe dan?

Ik zie wat me overkomen is die dag en hoe ik daaruit ben gekomen als een godswonder. Ik heb veel van dit soort dingen meegemaakt en dat maakt dat mijn geloof in een een ongeziene Helpende Hand, Allah, God, de Kosmische Wet (hoe men het maar wil noemen) onverminderd groot is en blijft.