Ongelovigen, ketters en de bijbel met de beer

Weer een stukje uit Ahmad’s leven in Andalusië

Hier weer het origineel in het Spaans met mijn vertaling daaronder

Ik hoorde altijd van mijn ouders dat ze in God geloofden, maar niet in priesters. Of anders gezegd, ze zeiden onder elkaar dat priesters eigenlijk zeggen: ‘doe wat ik zeg, maar doe niet wat ik doe’. Dat was een heel eenvoudige manier om duidelijk te maken dat het geloof in God één ding was, maar dat het iets anders was om te doen wat de katholieke kerk zei.

In de zomers, vooral als het oogsttijd was, verschenen altijd de katholieke missionarissen op de plaatsen waar tarwe, kikkererwten, maïs, enzovoort werd geoogst. Dat deden ze om hun eerbetoon te ontvangen, dat wil zeggen om een deel van de oogst te krijgen. Ik herinner me dat mijn grootvader Manuel op een dag, toen die zendelingen weer langskwamen, hen vroeg waarom ze niet kwamen op het moment dat er geploegd en gezaaid moest worden, zodat ze later met recht om een ​​eerbetoon konden vragen. Ze kwamen altijd op het juiste moment, als er net geoogst was, als er olie geperst was of als er fruit geplukt was.

Het was in die tijd niet gemakkelijk om van mening te verschillen met de priester, de burgemeester of de burgerwacht, want je riskeerde dan een plek op de zwarte lijst van het Franco-regime. Volgens de katholieke hiërarchie bestond er nog steeds gevaar voor ketterij. Van tijd tot tijd stuurde men missionarissen naar de steden en dorpen om de ongeschoolden en ongelovigen te indoctrineren. Als deze monniken verschenen, was bijna iedereen bang voor hen. De monniken organiseerden nachtelijke processies en zongen daarbij luid en maakten bij zonsopgang iedereen wakker. Ze riepen onder andere: ‘Sta op, ongelovigen en ketters, en bidt met ons of in het laatste oordeel zult u worden veroordeeld tot het vuur van de hel’. Ze bezochten ook de bars en stuurden iedereen die daar was naar buiten om de mis bij te wonen. Voor zover ik wist waren er in mijn dorp geen ongelovigen (moslims of joden), noch ketters (protestanten of lutheranen). Maar dat was alleen maar wat ik geloofde, omdat bepaalde dingen die in Andalusië gebeurden voor ons verborgen bleven.

In de 16e eeuw was er een seminarie in Sevilla, genaamd San Isidoro del Campo. Voor de schijn volgde dit seminarie de leringen van de katholieke kerk, maar tot grote verbazing van de katholieke kerk zelf werd de nieuwe leerstelling, die door Luther en Calvijn was begonnen, in dat seminarie gepredikt. Toen dat werd ontdekt, had de inquisitie geen genade. Een groot deel van de burgers van Sevilla was erbij betrokken, vooral onder de adellijke klassen. Ze werden als ketters veroordeeld en de meerderheid kwam op de brandstapel terecht. Maar sommige predikers slaagden erin vervolging te ontwijken en landen te bereiken waar protestanten officiëel bescherming genoten. Dat was in de landen van Midden-Europa. Onder hen bevonden zich enkele bekende personen: Casiodoro de Reina, Cipriano Valera en Antonio del Corro. In Europa hebben ze bijgedragen aan de religieuze vorming van het protestantisme en aan het schrijven van belangrijke schriftelijke bijdragen, zoals de Biblia del Oso, de Bijbel van de Beer.

Deze bijbel is gebaseerd op de heilige boeken van het Oude en Nieuwe Testament en in het Spaans geschreven. Hij staat bekend als de ‘bijbel van de beer’ omdat dat dier op de omslag van die bijbel staat. Het is een van de eerste vertalingen van de bijbel in het Spaans en de vertaler en samensteller was Casiodoro de Reina. Hij werkte twaalf jaar aan de voorbereiding en vertaling ervan en begon daarmee in 1565. Hij gebruikte de Hebreeuwse bijbel en de Ferrara-bijbel als taalkundige ondersteuning, die op 28 september 1569 in Bazel, Zwitserland werd gepubliceerd. De tweede editie werd gemaakt in Amsterdam. Dat was de eerste gecorrigeerde editie van de Bijbel van de Beer, die werd geproduceerd door Cipriano de Valera. Deze laatste uitgave is tot op heden de meest verspreide vertaling van de bijbel in het Spaans, vooral in de landen van Zuid-Amerika en onder Spaanse protestanten.

Zoals ik al heb geschreven in de voorgaande stukjes, waren er veel Andalusische moslims en joden die zich vrijwillig tot het katholicisme bekeerden (‘nieuwe christenen’ genaamd). Zij waren in dienst getreden bij verschillende academische, religieuze en staatsinstellingen. Om die reden is het niet toevallig dat zij verantwoordelijk waren voor het verschijnen van lutheranen in het seminarie van San Isidoro del Campo. Volgens vele getuigenissen is Casiodoro de Reina geboren in 1520 in Granada. Hij kwam uit een bekeerde moslimfamilie, en hij had gestudeerd aan de Universiteit van Salamanca of die van Sevilla.

(geschreven door Ahmad Gamboa)

Een onzichtbare toekomst

Sorry lezer, hier toch weer een stukje in de serie ‘Ahmad vertelt’. Het wordt nu, wat mij betreft, interessanter. Omdat hij het niet langer over droge geschiedkundige feiten heeft van bijna 2 millennia terug, maar over zijn eigen leven als werkende en autodidact. Wat hij schrijft heeft ook alles met mij te maken. Omdat het duidelijk zal maken waarom ik zo gek ben op mijn lieve, dappere en eigenwijze autodidact.

Hier weer het origineel

En hier mijn vertaling:

De jonge mensen in mijn dorp zagen voor zichzelf geen toekomst op het platteland. Maar het was het was voor de meesten van ons ook niet veelbelovend om naar de grote steden te emigreren, omdat we niet voldoende onderwijs hadden. Slechts een minderheid van de kinderen kon hoger onderwijs volgen, want dat was kostbaar voor de kinderen van de boeren en dagloners. Ik had graag landbouwkunde willen studeren, maar mijn vader had me nodig om op het land te werken.

Elke ochtend gingen we naar de velden om te werken, met de muilezels opgetuigd en beladen met landbouwwerktuigen. Vaak ontmoetten we andere boeren uit Paradas en ze begroetten ons altijd met de woorden: ‘tot de vrede van God, broeder’. Ik hield van die begroeting. Later kwam ik erachter dat dit ‘assalamu alaikum, broer’ betekent. De woorden zijn dus een moorse erfenis. Ik was één van de vele jonge mensen uit ons dorp, die zijn ouders vergezelde en hielp bij landbouwwerk. Het was nog in de tijd dat de meerderheid van ons het land bewerkte volgens traditioneel gebruik, met dieren als arbeidskrachten. De rijksten onder ons waren al begonnen met het gebruik van tractoren en andere machines. Dat is de reden dat we voelden dat we geen toekomst hadden met ons werk op het land en dat er voor ons geen toekomst was weggelegd in onze dorpen.

Omdat ik nooit rust in me had en altijd iets nieuws wilde leren, woonde ik bijeenkomsten bij die werden gehouden in het huis van een priester, met andere jonge mensen uit de stad. We maakten deel uit van een groep katholieke landbouw- en plattelandsjongeren. Er waren weinig mogelijkheden voor jonge mensen zoals wij. Je had alleen de bars om alcohol te drinken, de bioscopen of je kon wandelen op het dorpsplein. Dus zochten we naar onze eigen manieren om plezier te hebben, maar ook wilden we graag wat leren en zochten we naar andere toekomstmogelijkheden.

Omdat ik het het gebrek aan perspectief van mijzelf en mijn mededorpsgenoten inzag, pakte ik op een dag mijn fiets en ging naar het stadje Marchena op een afstand van twintig kilometer. Er was een officiële instantie, de Agrarische Kamer, en ik nam contact op met de verantwoordelijke experts. Ik vroeg hen om informatie over cursussen voor jongeren op het platteland en zij vertelden mij dat het mogelijk was om een cursus te organiseren voor het leren besturen van een tractor. Zoals ze mij hadden geadviseerd, vroeg ik hen om de formaliteiten te regelen voor het realiseren deze cursus. Enkele maanden later lieten ze me weten dat het de cursus was goedgekeurd

We begonnen de cursus met een twintigtal jonge mensen. We hadden in die cursus tractoren, aanhangwagens, ploegen en alles wat we nodig hadden om met machines te kunnen werken. Ze leerden ons zelfs werken met een maaidorser, een machine die kon maaien, dorsen en wannen. Werk waar voorheen 5 mannen voor nodig waren gedurende een week werken, deed de maaidorser in één dag. Hoe zou het dan mogelijk zijn om via handwerk te concurreren met de mechanisatie op het veld? En daarbij zou nog het gebruik van chemicaliën komen: compost, insecticiden, herbiciden, enzovoort.

Met het tractor-rijbewijs kon men in die tijd nog een aanvraag voor een autorijbewijs indienen. Die werd dan behandeling genomen en ingewilligd na een korte rijtest. Voor veel jonge mensen betekende het tractor-rijbewijs dat hun werk op het veld werkelijk gemoderniseerd werd. Velen van hen gingen met dat diploma werken als tractorchauffeur, hetzij op hun eigen terrein, hetzij als loonarbeider. Mijn vader had geen geld voor moderne landbouwmachines en bleef zijn werk op de oude manier doen. Omdat ik een rebel was, verwachtte ik voor mezelf in mijn toekomst andere taken, hoewel die toekomst voor mij onzichtbaar was.

Ahmad vertelt verder: de school en de visigoten

Hier het origineel in het Spaans

De lessen op school die het meest gemanipuleerd werden waren de geschiedenislessen. Vooral wat ons geleerd werd over de geschiedenis van de Visigoten. Het was een hele klus om de moeilijk te onthouden namen en vooral de data van hun regeerperiodes te onthouden. 

Later heb ik die historische periode zelf bestudeerd. En nu moet ik lachen bij de herinnering hoe men toen Leovigildo aan ons presenteerde, een koning die een symbolische rol speelde en nog speelt voor Franco-aanhangers. Hij zou de eerste koning zijn, die het ‘Spaanse en katholieke thuisland’ verenigde nadat hij al zijn rivalen had verslagen, vooral de Byzantijnen van Baetica. Maar bij nadere bestudering van de geschiedenis blijkt dat deze koning niet trinitarisch (katholiek) was, maar arisch en unitarisch, een leerstelling die niet overeenkwam met die van de trinitariërs. Het was zijn zoon, Hermenegildo, die zich bekeerde tot het trinitarische geloof en die een opstand leidde tegen zijn eigen vader vanuit de stad Sevilla, waar hij woonde. Sevilla was toen het grootste en meest gecultiveerde centrum van het trinitarische geloof.

Zoals gebleken is, volgde het onderwijs indertijd niet de beste pedagogische of academische criteria, maar was het een indoctrinatie-centrum voor het Franco-regime. In het Franco-onderwijsprogramma bestonden alleen de koninklijke dynastieën, die begonnen met de Visigotische koningen en eindigden met de Castiliaanse koningen. De Andalusische heersers (emirs, khaliefen, enzovoort), die acht eeuwen lang over het Andalusische gebied regeerden, waren verdwenen uit de geschiedenis. Er was echter ook een koning die in de officiële geschiedenis misprijzend werd genoemd. Dat was Don Pedro el Cruel (de Wrede). Hij had een denigrerende bijnaam, die mijn aandacht trok.

Don Pedro I, koning van Castilië (1334-1369), werd door zijn tegenstanders ‘de wrede’ genoemd, maar hij werd door zijn aanhangers ‘de Justiciero’ (rechtvaardige) genoemd. Omdat het tijden waren van conflicten en dynastieke oorlogen, brak onder het bewind van Don Pedro de eerste Castiliaanse burgeroorlog uit (1351-1369), waarin de aanhangers van koning Pedro I van Castilië en die van zijn stiefbroer Enrique II van Castilië vochten. De oorlog eindigde met de moord op Pedro I en het bestijgen van de troon van Castilië door Enrique II. De bijnaam ‘de wrede’ werd gegeven door degenen die samenzweerden tegen Pedro I van Castilië. Om de samenzweerders te straffen, werden ze geëxecuteerd. Pedro I werd echter door de bevolking van Sevilla de ‘Justiciero’ genoemd. Dit als erkenning voor de manier waarop hij de stad bestuurde, aangezien hij alle inwoners respecteerde, of ze nu christenen, moslims of joden waren. En hoewel de moslims macht aan het verliezen waren, was hun aanwezigheid en waren hun economische, commerciële en intellectuele activiteiten doorslaggevend voor het voortbestaan van zijn macht.

Don Pedro I van Castilië was een tijdgenoot van twee grote Andalusische wijzen: Ibn al-Jatib (1313-1374) en Ibn Khaldun (1332-1406). Beiden maakten deel uit van het Nasrid-hof van Granada en traden op als ambassadeurs aan het hof van Don Pedro I, wiens koninklijke zetel het Alcázar van Sevilla was. Het Alcázar is een paleis dat in opdracht van Don Pedro I gebouwd werd, waarbij hij de beste architecten, bouwers en metselaars van Sevilla inhuurde, allemaal met kennis van Andalusische kunst. En in dat paleis werd Ibn Khaldun ontvangen als ambassadeur van het Koninkrijk Granada. Omdat Don Pedro I de beste mannen voor zijn regering wilde hebben, of ze nu moslims of joden waren, stelde hij aan Ibn Khaldun voor om voor hem te werken. In ruil daarvoor zou hij alle eigendommen die zijn familie in zijn koninkrijk had teruggeven. De familie Khaldun liet zijn eigendommen achter, toen Fernando III Sevilla veroverde.

Zo zien we hoe het naast elkaar bestaan ​​van verschillende geloofsovertuigingen mogelijk was in de steden en dorpen van Andalusië, of ze nu katholiek of moslim waren. Het was een gewoonte die in de samenleving was geworteld en niemand wilde afstand doen van zijn eigendom en voordelen. Zoals altijd waren het geen ideale regeringen of perfecte samenlevingen, aangezien er allerlei soorten conflicten ontstonden, maar die waren niet van religieuze aard. Maar op scholen hebben ze ons geleerd en geïndoctrineerd met het verhaal dat er achthonderd jaar lang een religieuze oorlog tegen moslims was, iets dat niet alleen een leugen is, maar ook een ideologische misvatting. Dat heb ik later kunnen achterhalen door de geschiedenis te bestuderen, maar tot op heden geloven de meeste mensen nog steeds in deze vooringenomen propaganda.

Mijn grootouders van vaders kant (een nieuw hoofdstuk uit ‘Ahmad vertelt’)

Mijn grootouders van vaderskant komen uit een dorp genaamd Los Molares. Het ligt, net als mijn dorp Arrahal, in het gebied dat vroeger de ‘Banda Morisca’ werd genoemd en tegenwoordig het Sevilliaanse platteland.

In Andalusië zijn er twee manieren om dorpen te benoemen. Sommige hebben eenvoudige namen, andere hebben een gemeenschappelijke bijnaam, zoals de bijnaam Frontera (grens). Zoals bijvoorbeeld Morón de la Frontera (Sevilla), Arcos de la Frontera, Chiclana de la Frontera en Jerez de la Frontera (Cádiz), Aguilar de la Frontera (Córdoba), enzovoort. Deze benamingen met allemaal het woord frontera erin, zijn een gevolg van de territoriale geschillen en veroveringsoorlogen tussen het Nasrid-koninkrijk Granada en het katholieke koninkrijk Sevilla, die plaatsvonden gedurende bijna twee en een halve eeuw, zoals ik in het vorige artikel heb uitgelegd. In die tijd kon een bevolkingsgroep zich soms op het grondgebied van het Koninkrijk Granada bevinden en daarna weer op het grondgebied van het Koninkrijk Sevilla, naarmate de grenzen veranderden.

Omdat oorlogen of gewapende conflicten af ​​en toe plaatsvonden maar niet voortdurend, was er in vredestijd een voortdurend contact en een onderlinge uitwisseling tussen de bevolking van de twee koninkrijken. In beide koninkrijken woonden zowel moslims, christenen als joden. In veel gevallen waren er familiebanden tussen mensen die in beide koninkrijken woonden. Dit complexe netwerk van relaties zorgde ervoor dat er in de dorpen en steden diverse productieve en commerciële activiteiten waren. Los Molares, het dorp van mijn grootouders van vaderskant, was gespecialiseerd in de teelt van de zijderups en bezat weefgetouwen om stoffen van dit mooie product te maken. Om de zijderups te kweken, was het nodig om talloze moerbeibomen te planten, aangezien de wormen zich voeden met de bladeren van die boom.

Mijn grootouders, die geen ambachtslieden waren maar boeren, hadden hun land tussen de stad Utrera en Arahal. Kort nadat mijn vader was geboren, ging mijn grootvader met zijn muilezels op een winterdag naar Arahal om zijn boodschappen te doen. Nadat hij de noodzakelijke dingen had gekocht en op de muilezels had geladen, stopte hij bij een paar bars om glazen anis te drinken en zo werd hij uiteindelijk dronken. Op de terugweg werd hij verrast door een hevige storm, maar omdat hij zich niet bewust was van zijn toestand, zocht hij pas een schuilplaats toen hij al helemaal doorweekt was. Door pech viel hij ook nog van zijn muilezel, zonder te kunnen reageren. Toen iemand hem uiteindelijk ontdekte, was het voor hem te laat om van de kou, die hij gevat had, te herstellen. Hij stierf uiteindelijk aan een verkoudheid.

Als kleine jongen moest mijn vader werken als ‘varkenshoeder’. Hij bracht de varkens naar de velden om te eten. Ze aten olijven die op de grond waren blijven liggen, eikels of resten van tarwe die in de stoppels waren achtergebleven. Mijn vader vertelde me eens dat hij, terwijl hij de kudde naar het veld bracht, onderweg verrast werd door een stier die hen aanviel. Mijn vader was in staat om in een olijfboom te klimmen en zichzelf te redden van de aanval, maar de stier achtervolgde de varkens en verspreidde ze. Een week lang waren de varkens zoek. Later kwamen ze beetje bij beetje weer terug bij hun huizen. Toen mijn vader elf was, stierf ook zijn moeder aan een ernstige ziekte, waardoor mijn vader een wees werd. Een oom van mij, die getrouwd was, nam hem in huis tot hij volwassen was en trouwde.

Helaas kan ik verder weinig vertellen over mijn grootouders van vaderskant. Toen mijn ouders trouwden, gingen ze in het huis wonen waar ik geboren ben. Als er iets is dat mij heel erg herinnert aan mijn grootouders, dan zijn het de zijderupsen. Als kind wist ik niet wat de oorsprong was van het Andalusische kindergebruik voor het fokken van zijderupsen. Pas toen ik de Andalusische geschiedenis later bestudeerde, begreep ik de oorsprong ervan. Dit gebruik is ontstaan sinds de productie van zijde in de tijd van al-Andalus, een activiteit waarin Granada eeuwenlang opviel. Aangezien Sevilla een zeer machtige commerciële metropool was, is het zeker niet verwonderlijk dat sommige zijde-ambachtslieden vanuit Granada naar de provincie Sevilla verhuisden om daar met deze activiteit te beginnen. Om deze ambachtelijke activiteit te behouden, moesten ze langs de wegen en paden van de regio moerbeibomen planten, waarmee de rupsen zich konden voeden.

Als het de tijd was dat de zijderupsen uitkwamen, rond half februari, nam ik een schoenendoos en maakte een paar gaatjes in het deksel zodat de rupsen konden ademen. Daarna ging ik naar de ‘Casa del Moro’ aan het einde van mijn straat, waar men de rupsen verkocht. Pasgeboren zijderupsen zijn dun als een draad, en niet meer dan een millimeter. Dus ik kreeg ze aangereikt op een paar moerbeibladeren en blij ging ik ermee naar huis. Elke dag gingen wij als kind naar een pad langs het treinstation, waar verschillende rijen moerbeibomen waren geplant. We klommen in de bomen om de meest malse bladeren te pakken te krijgen. Totdat ze een cocon gingen vormen moesten de rupsen veel eten. Daarna bleven ze, als ze eenmaal een pop waren, een tijdje opgesloten in hun cocon, totdat ze tevoorschijn kwamen in de vorm van een witte vlinder, die honderden eieren legde.

Dit waren mijn eerste praktische biologielessen, waarbij ik de metamorfose van bepaalde insecten ontdekte.

Lessen uit het leven en lessen op school

Toen ik nog heel jong was, liet mijn vader me enkele voorwerpen zien die wij op de grond vonden tijdens het ploegen. Soms was het een eenvoudig roestig ijzeren voorwerp dat hij niet kon identificeren, dan weer was het een lamp van klei uit de Romeinse tijd, en dan weer liet hij me een munt zien met voor mij vreemde tekens erop, die volgens mijn vader uit de Arabische tijd kwam. Ook speelden we als kind  achter de plaatselijke timmerwerkplaats. Daar bevond zich een toren die volgens de ouderen van het dorp van een oude Arabische molen was. Toen ik naar de velden begon te gaan om mijn vader te helpen met het werk op het land, zag ik bruggen, sloten en waterreservoirs, waarvan ook gezegd werd dat ze nog kwamen uit de ‘Arabische’ periode in de geschiedenis.

Er was een ‘albarrana’-toren (een uitkijktoren) in Cerro del Cincho, waarover veel fantastische verhalen werden verteld. Zoals dat er een ‘Moorse’ schat onder zou liggen. Maar vanwege een mysterieus beveiligingssysteem zou niemand in die toren kunnen binnendringen. Wie het aandurfde om er toch in te gaan, zou voor altijd worden opgesloten. Verteld werd dat er een aantal dieren door een kleine opening naar binnen was gegaan. Die dieren zouden er nooit meer uitgekomen zijn. Ik wist toen niet of al deze verhalen op waarheid berustten of op fantasie, maar dat werd verteld, zowel door ouderen als door kinderen.

Dit mysterieuze universum van de ‘Arabier’ had voor ons een dubbele betekenis: enerzijds bracht het de luxueuze, wijze en erotische wereld van de Arabische wereld over, en anderzijds het mysterieuze en angstaanjagende karakter van fantasieën daarover in de vorm van verhalen of legendes. Maar zeker was dat, of het nu waarheden of leugens waren, men diep van binnen wist dat het ‘Arabische’ tijdperk ons ​​een grote erfenis naliet in de vorm van de ambachten, en ook artistiek in de verschillende monumenten die we allemaal kenden: het Alhambra, de Giralda, het Alcázar van Sevilla, de moskee van Córdoba, enzovoort.

Later, op school, werd die wereld als slecht beschreven en als een wereld die ontrouw was aan de overtuigingen die we allemaal deelden. Enerzijds zag ik in de geschiedenisboeken foto’s van de ‘Arabische’ monumenten met hun schoonheid en pracht. Maar toen men over die beschaving vertelde, gebeurde dat met een diepe afwijzing en haat, omdat deze beschaving niet overeenkwam met de katholieke overtuigingen. Bij die diskwalificatie waren het niet alleen de ‘Arabieren’ die als ongelovigen werden betiteld, maar ook de Joden, of ‘Marranen’, zoals de leraren deze noemden.

Op deze manier kan worden gezegd dat onze geest en onze gevoelens navigeerden tussen deze twee manieren om onze geschiedenis te zien, de ene positief en de andere negatief. Maar in ieder geval waren beide manieren ons vreemd. Het was alsof onze velden en steden altijd leeg waren gebleven en klaar om te worden overgenomen door mensen uit andere plaatsen, culturen of beschavingen. En op dezelfde manier waarop deze mensen waren binnen gekomen, verlieten ze onze velden en steden weer of werden ze verdreven door andere mensen. Dus de torens, huizen of paleizen, die we zagen in de Andalusische velden en steden, behoorden niet tot dit land en het was niet ons cultureel of artistiek erfgoed. Op deze manier werd de ruimte zoals we die zagen en de geschiedenis zoals we die leerden gescheiden.

Toen ik volwassen was werd ik me steeds meer bewust van deze tegenstrijdigheden. Ik ging op onderzoek uit en zocht een antwoord op de vragen die in me opkwamen. Ik bracht veel tijd door met bezoek aan bibliotheken en historische archieven. Ik kocht boeken en historische dossiers. Met de kennis die ik opdeed schreef ik een boek dat op dit moment mijn lieve en geliefde Shabnam voor me vertaalt. Omdat zij wil dat ik vertel over mijn levenservaringen, zal ik dat in volgende artikelen doen. Dit artikel is daarvan het eerste.

(Geschreven door Ahmad Gamboa Vera)