7. Sociale en culturele beroering in Arrahal

Weer een stukje uit het leven van mijn wederhelft, wiens leven in niets lijkt op het mijne en met wie ik me toch zo verbonden voel. Dit is een persoonlijk verhaal, maar er zal ook nog een stukje geschiedenis volgen in latere stukjes. (Voor de liefhebbers daarvan, die er ook blijken te zijn.) Mij lijkt dat het geen kwaad kan om de sluiers, die de geschiedenis bedekken, te laten oplichten door een man, die zich daarin heeft verdiept. Toen ik vanmorgen in de digitale Volkskrant zag dat Ibn Khaldun werd geciteerd als een ‘Berberse’ filosoof, begreep ik dat enige geschiedkundige info geen kwaad kan.

Maar hier dus een stukje persoonlijke geschiedenis van de man van mijn leven.

Voor degenen die Spaans kunnen lezen weer het origineel:

In mijn dorp opende zich beetje bij beetje een sociaal-culturele omgeving waarin na verloop van tijd een toegewijde jeugd zou ontstaan ​​die opkwam voor hun rechten. Het Franco-regime, gepersonaliseerd in de priester, de commandant van de gemilitariseerde politiemacht van de Guardia Civil, de burgemeester, de rechter en de feitelijke bevoegdheden van het volk, bood de jeugd weinig meer perspectief dan een zeer conformistische traditie en manier van leven.

kerk van Vera Cruz

Een kleine groep jonge mensen had zich verzameld rond de kerk van Vera Cruz, een gebouw dat tijdens de burgeroorlog in vlammen was opgegaan. De vlammen vernietigden de afbeeldingen en schilderijen die erin stonden, maar hadden de structuur van het gebouw niet aangetast. Met veel werk slaagden we erin om de muren van de kerk te herstellen met verf en we maakten er een kartonnen plafond in. Op de plaats waar eens het altaar was, maakten we ​​ruimte voor een podium om toneelstukken te organiseren, lezingen te geven, enzovoort. Toen dit werk klaar was, ontstonden er een theatergroep, een bibliotheek en een ruimte voor ontmoetingen en dansavonden. De theatergroep speelde verschillende werken van Alvarez Quintero en Jacinto Benavente in dramatische stukken met flamenco- en Lorca-teksten.

Anderen van ons legden zich toe  het organiseren van activiteiten om het perspectief van de werkenden te verbeteren. Nadat ik de cursus voor tractorchauffeur had georganiseerd, sprak ik met de instructeurs. Ik wilde voor mezelf en mijn dorpsgenoten een cursus automonteur regelen, die werd gegeven door de organisatie Formación Profesional Obrera (F.P.O.). Omdat er een geschikte locatie beschikbaar was voor het geven de cursus, werd met dit plan ingestemd. De cursus werd gegeven in een magazijn dat voorheen een bioscoop was geweest.

Mijn vader wilde me eigenlijk niet aan de cursus laten deelnemen, omdat ik hem moest helpen met landbouwwerk. Want mijn broer vond, nadat hij het tractor-rijbewijs had behaald in de cursus die we al hadden gevolgd, een baan als chauffeur op de boerderij van een landeigenaar. Dus ik bleef alleen achter om mijn vader te helpen. Ik overtuigde mijn vader ervan dat ik deze cursus toch zou kunnen volgen, nadat ik op het veld had gewerkt. Elke ochtend pakte ik mijn fiets en reed 14 kilometer naar de land. Daar werkte ik de hele dag en fietste terug naar mijn huis. Daarna ging ik snel douchen, andere kleren aantrekken en de cursus volgen die om 19 uur begon en duurde tot 24 uur. Dan de volgende ochtend weer terug naar het veld, enzovoort, en dit zes maanden lang. Mijn benen werden als die van Popeye, de spinazie-eter.

Na het bezig zijn met de motoren en het vet, moest ik weer douchen, als mijn werkdag voorbij was. Toen de cursus in september begon, waren er dagen dat we allemaal peentjes zweetten, maar het was erg leerzaam voor mij, omdat ik altijd op zoek was naar iets dat ik kon leren. En zo is mijn leven altijd geweest, tot nu toe, tot en met de tweeënzeventig jaar die ik nu tel. Maar zoals een gezegde luidt in mijn land: ‘laat ze niet proberen deze dans van me af te nemen’.

5. De verovering van Granada en de religieuze oorlog

Hier weer het origineel in het Spaans voor de liefhebber en daaronder mijn (vrije) vertaling in het Nederlands.

Vertaling van de tekst: De Katholieke Koningen waren Isabel van Castilla en Fernando V van Aragon. Met deze koningen wist Spanje heel groot en machtig te worden. Dit zijn de belangrijkste dingen, die zij deden. Ze richten de Heilige Broederschap op om de bandieten te vervolgen; ze stuurden de joden die geen christenen wilden worden weg uit Spanje; ze veroverden de stad Granada op de moren en verdreven hen naar Afrika en tenslotte wist Christobal Columbus met hun hulp America te ontdekken

Bij het zien van deze bladzijde in het schoolonderwijsboek van de Álvarez Encyclopedia krijgt men een goed idee hoe het onderwijs op de scholen ten tijde van Franco eruit zag en wat men de leerlingen wilde wijsmaken.

De in Granada geboren dichter Federico García Lorca schreef:

‘La Toma (de inname van Granada) was een heel slecht moment in de geschiedenis, hoewel men het tegenovergestelde beweert op de scholen. Een bewonderenswaardige beschaving ging verloren om plaats te maken voor een arme en gekwelde stad, voor een land van ellende, terwijl de slechtst mogelijke bourgeoisie van Spanje zich op dat moment begon te roeren’.

In de stukjes hiervoor heb ik uitgelegd hoe de situatie was tot het moment dat Granada werd veroverd (1492). De bevolking op het Iberisch schiereiland bestond uit mensen met uiteenlopende geloofsovertuigingen, zowel in het Andalusische als in het Castiliaanse deel. Dat betekende niet dat er geen conflicten waren, maar die conflicten waren nooit religieus gemotiveerd. Een goed voorbeeld is de Mudejar-opstand (1264-1266) waarbij de bevolking van Baja Andalusië en Murcia betrokken was, als reactie op het beleid van Castilië om de mensen die moslim waren naar andere gebieden te verplaatsen.

Het laatste gebied dat tot de Andalusische staat behoorde, werd teruggebracht tot het Nasrid-koninkrijk Granada. Dit koninkrijk werd bewoond door christenen, joden en moslims De Castiliaanse strijdmacht had een groot belang bij het beëindigen van dat koninkrijk. De katholieke vorsten organiseerden een groot leger om het koninkrijk te veroveren. Bij dit politieke en militaire project kregen ze ook de steun van moslims. Op 25 november 1491 ondertekenden koning Boabdil en de katholieke vorsten een pact, genaamd ‘de capitulaties van Granada’. Daarin stemde Boabdil toe om zijn koninkrijk over te geven in ruil voor het respecteren van het leven en de rechten van de inwoners van Granada. Zowel wat betreft hun recht op hun eigendommen als op hun religie, enzovoort. Boabdil gaf er de voorkeur aan zijn koninkrijk over te geven om een ​​bloedbad te voorkomen, aangezien hij wist dat een oorlog fataal zou zijn voor de mensen van zijn koninkrijk. Om die reden ondertekende hij de genoemde capitulatie.

Drie jaar lang bleven de capitulaties van kracht, maar de katholieke kerk was niet bereid de rechten van moslims te respecteren. Kardinaal Francisco Jiménez de Cisneros legde alle moslims een gedwongen bekering tot het katholicisme op. Dit was in strijd met de capitulaties die door de katholieke vorsten waren ondertekend. Deze beslissing lokte de rebellie uit van de inwoners van Granada, met name in de wijk Albaicín. De katholieke kerk en de katholieke vorsten wilden de samenleving standaardiseren volgens de katholieke leer. Voor dit doel was het opleggen van de doop niet voldoende, maar moest elk overblijfsel van de moslimcultuur geëlimineerd worden.

Op bevel van de katholieke vorsten nam Cisneros de in het Arabisch geschreven bibliotheek van de Madraza in beslag, met als doel om elke herinnering aan de verslagenen te elimineren. In zijn ijver om alles te elimineren dat zou hebben bijgedragen aan de ‘mohammedaanse goddeloosheid’, gaf hij opdracht tot het verbranden van de boeken. Dat gebeurde op de Plaza de Bib-Rambla, destijds bekend als de Puerta del Arenal, waar het hele poëtische, historische en culturele erfgoed in de as werd gelegd. Dat was het erfgoed van de cultuur van de Nasriden. Daarbij werden alleen de medische boeken en andere wetenschappelijke teksten bewaard. Boeken, die echter tot op heden niet toegankelijk zijn voor raadpleging. Dit alles leidde tot een reeks van opstanden van de Moren die zouden eindigen in bloedbaden en gedwongen ballingschap.

Het was vanaf de verovering van Granada dat met de gedwongen bekeringen van alle moslims en joden van het Iberisch schiereiland werd begonnen. Het doel van de capitulaties was dat, zolang de moslims de rechten genoten die waren opgenomen in de ‘capitulaties van Granada’, de kerk niet het recht zou hebben anders gelovigen te storen in hun leven en geloof. Ook zou het hof van de Heilige Inquisitie de ‘ongelovigen’ niet kunnen vervolgen en executeren.

In 1236 verovert Fernando III Córdoba, en in 1248 veroverde hij Sevilla. Sindsdien gaven veel moslims, die in de door de Castilianen veroverde landen woonden, er de voorkeur aan zich vrijwillig tot de nieuwe katholieke doctrine te bekeren. Deze bekeringen waren geen omvangrijk proces, maar een selectief proces, omdat ze dachten dat ze op deze manier hun families en belangen beter zouden beschermen. In twee en een halve eeuw, tot 1492, was er een lange periode van bekering en assimilatie van moslims en joden, die in veel gevallen hoge posities bekleedden in de verschillende niveaus van de staat, de economie of de rechterlijke macht, het onderwijs, enzovoort.

Dat de Andalusische moslims en joden een meer uitgebreide en gekwalificeerde opleiding hadden genoten, wekte onder de ‘oude christenen’ jaloezie op. En wel zodanig dat de politieke machten maatregelen gingen nemen, met als gevolg daarvan de zogenaamde ‘Statuten van bloedzuivering’. Deze statuten vormden de rechtvaardiging voor juridische discriminatie van de bekeerde Spaanse minderheden op verdenking van het in het geheim beoefenen van hun oude religies (Marranos in het geval van de bekeerde joden en Moriscos het geval van de bekeerde moslims). Ze bestonden uit het eisen aan wie een instelling wilde betreden, dat deze kon aantonen dat hij afstamde van ouders die christen waren, die op hun beurt ook weer konden aantonen van christenen af te stammen. Deze regels werden op grote schaal ingevoerd voor toetreding tot gemeentebesturen, universiteiten, militaire posten, enzovoort.

Uiteraard werden deze certificaten om christelijke afstamming aan te tonen ook vervalst en verhandeld, zodat ondanks deze maatregelen veel mensen toegang kregen tot belangrijke functies in instellingen of overheden. In een ander artikel zal ik enkele historische gevallen vertellen die laten zien hoe, ondanks de hardheid van de inquisitie, religieuze bewegingen die in strijd waren met het katholicisme floreerden, zoals het lutheranisme in Sevilla, waar de zetel van het hof van de inquisitie woonde.

2. Mijn grootouders van moederskant (mis abuelos maternos)

Hier is dan zo van de pers en kakelvers het tweede artikel in de reeks ‘Ahmads leven in Andalusië’. Opnieuw kan wie dat wil de originele tekst lezen in het Spaans door het bestand hieronder te openen.

Oma

Voor wie het in het Nederlands wil lezen volgt hier mijn vertaling:

Mijn grootouders van moederskant, Manuel en Ramona, waren neef en nicht , een typisch Moors gebruik, want ik weet bijna zeker dat mijn grootouders van oorsprong Moors zijn. Ze werden geboren in de stad Paradas, maar na hun trouwen verhuisden ze naar Arahal, waar ze tot hun dood woonden.

In mijn vorige artikel had ik het over een ‘albarrana-toren’. Deze torens waren niet Arabisch of Castiliaans, niet islamitisch, christelijk of joods. Het was gewoon een toren, die gebouwd was door de mensen die woonden in een gebied genaamd ‘Banda Morisca’, een gebied dat lag tussen het christelijke koninkrijk Sevilla en de Nasrid Koninkrijk Granada. De torens waren bolwerken om de ruimte te bewaken. Ze waren ver van elkaar verwijderd en dienden om te waarschuwen bij aanvallen of agressie. Dat gebeurde door middel van lichtsignalen met spiegels overdag en door middel van vuur ’s nachts.

Sevilla werd veroverd door koning Ferdinand III van Castilië in 1248 en de dynastie van de Nasriden van Granada werd veroverd door de katholieke vorsten in 1492. Met andere woorden, 244 jaar lang heeft dit grensgebied tussen het katholieke en islamitische koninkrijk bestaan. Gedurende die bijna twee en een halve eeuw was er een commerciële, familiale en intellectuele uitwisseling tussen deze koninkrijken. Soms intensief en dan weer minder intensief, als er grensoorlogsconflicten waren. Die waren er niet altijd, maar alleen wanneer er een militaire veldtocht werd georganiseerd. Deze militaire veldtochten werden soms georganiseerd door troepen van het dynastie van de Nasriden van Granada en soms door troepen van het christelijke koninkrijk van Sevilla.

Er werden in dit grensgebied en in die periode veel steden gebouwd en de inwoners daarvan konden moslim, katholiek of joods zijn. Deze diversiteit binnen de bevolking was in die tijd gebruikelijk, zowel in die steden als in Sevilla. Conflicten en oorlogen ontstonden in die tijd niet wegens religieuze motieven, maar men streed om territorium of macht.

De stad waar ik ben geboren heet Arahal, wat in het Arabisch ‘de wandelaar’ of ‘degene die loopt’ betekent. De stad die erna komt heet Paradas. In het begin waren het niet meer dan ruimtes, die waren werden gebruikt als rustpunt en voor het uitwisselen van vee, aangezien op die plaatsen verschillende wegen of voetpaden elkaar kruisten. Beetje bij beetje werden het stedelijke centra, waarin markten, huizen, kerken, moskeeën of synagogen werden gebouwd, aangezien de bevolking in die tijd niet homogeen was. Naarmate de Castiliaanse verovering vorderde en de macht van de katholieke kerk groter werd, gaven veel islamitische en joodse gezinnen er de voorkeur aan zich tot het katholieke geloof te bekeren, omdat dit de beste manier was om hun gezinnen te beschermen en hun bezittingen te behouden. Het is gemakkelijk om in naam van religie te veranderen, maar dat betekent niet dat men zijn overtuigingen, riten en gebruiken daarmee ook direct verandert. Hetzelfde geldt voor de benaming van beroepen en plaatsen. Dat is de reden waarom talloze woorden en namen van beroepen, infrastructuren of plaatsen, die oorspronkelijk uit het Arabisch komen, bleven bestaan. In de jaren die erop volgden heeft de linguïstische druk van de nieuwe macht veel woorden vervormd of men nam de woorden over.

Terugkomend op mijn familie kan ik zeggen dat veel woorden en gebruiken al die jaren bewaard zijn gebleven. En een van die gebruiken is de manier van wassen die ik leerde van mijn grootouders en mijn ouders vanaf dat ik klein was. Nu ik ouder ben en gewend ben mij ritueel te wassen voor het islamitische gebed, merk ik dat dit wassen op dezelfde manier gebeurt als mijn ouders en grootouders het mij uitlegden. Mijn grootmoeder, aan wie ik heel mooie herinneringen heb, drukte haar gevoelens en emoties uit via de flamenco. De flamenco is het resultaat van een ontwikkeling in de Andalusische muziek, die is aangepast aan de nieuwe sociale en historische omstandigheden. Veel van de gebruikte woorden in de flamenco moesten overgeërfde diepe spirituele gevoelens verbergen. Zoals het woord Olé, dat is afgeleid van het woord Allah. In het Andalusisch wordt evenals in de Turkse taal de ‘a’ meestal gewijzigd in ‘e’.

Deze ruimte, bekend als ‘la Banda Morisca’, werd niet opnieuw bevolkt door Castilianen, zoals dat wordt voorgesteld door de schoolboeken. Het waren dezelfde inwoners, die er zijn blijven wonen en die zich geleidelijk tot het katholicisme bekeerden. Daarom is daar gedurende alle opeenvolgende eeuwen een manier van spreken en zich uiten gebleven, die heel anders is dan het Castiliaans. Verder wordt daar en een heel bijzondere manier van het beoefenen van religieuze riten gehandhaafd, zoals bijvoorbeeld de Semana Santa. De nieuwe bekeerlingen tot het katholicisme moesten de riten en vieringen daarvan op een overdreven manier tot uitdrukking brengen. Dit om te laten zien dat ze net zo katholiek waren als de zogenaamde ‘oude christenen’, een verwijzing naar de Castiliaanse krijgsadel die opkwam als de nieuwe politieke macht.

De religieuze conflicten waarover de geschiedenis ons vertelt, begonnen pas na de oprichting van de ‘Spaanse inquisitie’, in het leven geroepen door de katholieke vorsten om de katholieke orthodoxie in hun koninkrijken te behouden. Op 1 november 1478 vaardigde paus Sixtus IV de ‘bula Exigit sinceras devotionis affectus’ uit, waarmee de inquisitie werd opgericht voor het hof van Castilië. Hierin werd vastgelegd dat de benoeming van de inquisiteurs onder exclusieve bevoegdheid van de monarchen viel.

Met het instellen van deze inquisitie en nadat de laatste moslimmacht op het Iberisch schiereiland, de dynastie van de Nasriden te Granada, was verslagen begonnen de gedwongen bekeringen van moslims en joden tot het katholicisme. Velen vonden het niet gemakkelijk om van de ene op de andere dag hun overtuigingen, riten en gebruiken te veranderen. Daarom ging de inquisitie ertoe over degenen die niet konden vluchten te vervolgen, te verbannen, te onteigeningen en tot slaaf te maken. Degenen die in voorgaande eeuwen uit eigen vrije wil al bekeerd waren, hadden wel de tijd om zich aan te passen door nieuwe sociale en familiebanden te vormen. Daaronder bevond zich met zekerheid mijn uitgebreide familie van moeders kant. Zij stonden bekend onder de bijnaam ‘de motas’ (verwijzend naar een versiering die zij droegen in hun sombrero). Sommigen ervan woonden in de stad Paradas en anderen in Arahal.

(geschreven door Ahmad Gamboa Vera)