Harde klap

Het was zo een lieve en vredige dag, die we afsloten met een wandelingetje door het drukke Haagse centrum. Eerst het eenvoudigere gedeelte van Den Haag met de bekende winkelketens, waar we mensen zagen lopen die zo leken te zijn weggelopen uit mijn nederige buurt.

Daarna wandelden we richting het restaurant waar we zouden gaan eten, Langs het Mauritshuis en het plein dat bomvol zat met een heel ander publiek. Het was alsof we een denkbeeldige grens waren gepasseerd op het moment dat we de Lange Poten waren ingelopen. De terrassen op het Plein waren zo afgeladen dat het leek of er een groot feest gaande was, maar misschien zat daar wel gewoon de hele eerste kamer met nog een hele achterban van ambtenaren. Wellicht waren er ook deelnemers van personeelsuitjes. Daartussen laveerden moeders met bakfietsen. Enkele lieden liepen in vagebondachtige kledij, maar het was ze aan te zien dat het geen daklozen waren, maar eerder mensen die wat alternatief wilden overkomen of hun teveel aan geld in hun neus stopten en voor wie kleding er minder toe deed.

We gingen even op een bankje in de zon zitten langs de brede lanen waar vroeger ongetwijfeld koetsjes achter paardenspannen hebben gereden waarop dames met hoepelrokken. Nu zag je fotograferende toeristen lopen en welgestelde Nederlanders. Via de Lange Voorhout liepen we een zijstraat in waarin het restaurant Taj Mahal gelegen was.

We werden heel vriendelijk en respectvol ontvangen, kregen heerlijk eten. Na ons kwamen nog wat stellen binnen en uiteindelijk waren vrijwel alle tafeltjes bezet. We zijn geen grote eters en toen ik vroeg of we de restjes mee mochten nemen naar huis was dat geen enkel probleem maar werd het me netjes aangereikt in een bakje in een papieren tas. Morgen ga ik het geroosterde vlees verwerken in een lekkere bami. We aten nog een lekker toetje, keehr geheten en daarna wandelden we rustig naar de tram.

Op het moment dat we de halte bereikten kwam tram 9 er juist aan en Ahmad zette het op een rennen. Ik dacht nog ‘hij hoeft niet te rennen want de tram staat toch wel een tijd stil om iedereen te laten instappen’.

Ineens hoor ik een harde klap. Ahmad is met zijn voorhoofd en neus tegen de glazen zijkant van het tramhuisje geknald. Ik zie mensen verschrikt opzij kijken naar hem. Sommigen lachen. Maar Ahmad rent gewoon door alsof er niets gebeurd is, een man met een missie (de tram halen). In de tram zie ik dat hij een bult op zijn neus en voorhoofd heeft. Het doet alleen pijn als je erop drukt, zegt hij.

Een paar keer al lachten we er samen om (vooral omdat hij gewoon bleef rennen na de klap en dat was zo een grappig gezicht).

Zijn verjaardag is nu bijna ten einde. Ik ga zo naar boven, bidden en naar bedje šŸ’–.