Ongelovigen, ketters en de bijbel met de beer

Weer een stukje uit Ahmad’s leven in Andalusië

Hier weer het origineel in het Spaans met mijn vertaling daaronder

Ik hoorde altijd van mijn ouders dat ze in God geloofden, maar niet in priesters. Of anders gezegd, ze zeiden onder elkaar dat priesters eigenlijk zeggen: ‘doe wat ik zeg, maar doe niet wat ik doe’. Dat was een heel eenvoudige manier om duidelijk te maken dat het geloof in God één ding was, maar dat het iets anders was om te doen wat de katholieke kerk zei.

In de zomers, vooral als het oogsttijd was, verschenen altijd de katholieke missionarissen op de plaatsen waar tarwe, kikkererwten, maïs, enzovoort werd geoogst. Dat deden ze om hun eerbetoon te ontvangen, dat wil zeggen om een deel van de oogst te krijgen. Ik herinner me dat mijn grootvader Manuel op een dag, toen die zendelingen weer langskwamen, hen vroeg waarom ze niet kwamen op het moment dat er geploegd en gezaaid moest worden, zodat ze later met recht om een ​​eerbetoon konden vragen. Ze kwamen altijd op het juiste moment, als er net geoogst was, als er olie geperst was of als er fruit geplukt was.

Het was in die tijd niet gemakkelijk om van mening te verschillen met de priester, de burgemeester of de burgerwacht, want je riskeerde dan een plek op de zwarte lijst van het Franco-regime. Volgens de katholieke hiërarchie bestond er nog steeds gevaar voor ketterij. Van tijd tot tijd stuurde men missionarissen naar de steden en dorpen om de ongeschoolden en ongelovigen te indoctrineren. Als deze monniken verschenen, was bijna iedereen bang voor hen. De monniken organiseerden nachtelijke processies en zongen daarbij luid en maakten bij zonsopgang iedereen wakker. Ze riepen onder andere: ‘Sta op, ongelovigen en ketters, en bidt met ons of in het laatste oordeel zult u worden veroordeeld tot het vuur van de hel’. Ze bezochten ook de bars en stuurden iedereen die daar was naar buiten om de mis bij te wonen. Voor zover ik wist waren er in mijn dorp geen ongelovigen (moslims of joden), noch ketters (protestanten of lutheranen). Maar dat was alleen maar wat ik geloofde, omdat bepaalde dingen die in Andalusië gebeurden voor ons verborgen bleven.

In de 16e eeuw was er een seminarie in Sevilla, genaamd San Isidoro del Campo. Voor de schijn volgde dit seminarie de leringen van de katholieke kerk, maar tot grote verbazing van de katholieke kerk zelf werd de nieuwe leerstelling, die door Luther en Calvijn was begonnen, in dat seminarie gepredikt. Toen dat werd ontdekt, had de inquisitie geen genade. Een groot deel van de burgers van Sevilla was erbij betrokken, vooral onder de adellijke klassen. Ze werden als ketters veroordeeld en de meerderheid kwam op de brandstapel terecht. Maar sommige predikers slaagden erin vervolging te ontwijken en landen te bereiken waar protestanten officiëel bescherming genoten. Dat was in de landen van Midden-Europa. Onder hen bevonden zich enkele bekende personen: Casiodoro de Reina, Cipriano Valera en Antonio del Corro. In Europa hebben ze bijgedragen aan de religieuze vorming van het protestantisme en aan het schrijven van belangrijke schriftelijke bijdragen, zoals de Biblia del Oso, de Bijbel van de Beer.

Deze bijbel is gebaseerd op de heilige boeken van het Oude en Nieuwe Testament en in het Spaans geschreven. Hij staat bekend als de ‘bijbel van de beer’ omdat dat dier op de omslag van die bijbel staat. Het is een van de eerste vertalingen van de bijbel in het Spaans en de vertaler en samensteller was Casiodoro de Reina. Hij werkte twaalf jaar aan de voorbereiding en vertaling ervan en begon daarmee in 1565. Hij gebruikte de Hebreeuwse bijbel en de Ferrara-bijbel als taalkundige ondersteuning, die op 28 september 1569 in Bazel, Zwitserland werd gepubliceerd. De tweede editie werd gemaakt in Amsterdam. Dat was de eerste gecorrigeerde editie van de Bijbel van de Beer, die werd geproduceerd door Cipriano de Valera. Deze laatste uitgave is tot op heden de meest verspreide vertaling van de bijbel in het Spaans, vooral in de landen van Zuid-Amerika en onder Spaanse protestanten.

Zoals ik al heb geschreven in de voorgaande stukjes, waren er veel Andalusische moslims en joden die zich vrijwillig tot het katholicisme bekeerden (‘nieuwe christenen’ genaamd). Zij waren in dienst getreden bij verschillende academische, religieuze en staatsinstellingen. Om die reden is het niet toevallig dat zij verantwoordelijk waren voor het verschijnen van lutheranen in het seminarie van San Isidoro del Campo. Volgens vele getuigenissen is Casiodoro de Reina geboren in 1520 in Granada. Hij kwam uit een bekeerde moslimfamilie, en hij had gestudeerd aan de Universiteit van Salamanca of die van Sevilla.

(geschreven door Ahmad Gamboa)

Over de legitimiteit van hadith en de documentaire over Khashoggi

Sommigen willen liever dat ik over mezelf schrijf dan dat ik de stukjes van Ahmad vertaal en hier plaats. Ik ben van plan om het beide te blijven doen.

Ik las vandaag een interessant artikel, The Secret History of Hadith: The Prophet Refused it and Abu Bakr Burnt It, waarin de legitimiteit van de hadith (opgetekende overleveringen uit het leven van de profeet) in twijfel wordt getrokken. Enkelen beweren zelfs dat de Profeet zelf tijdens zijn leven verboden heeft om over hem en zijn leven te schrijven en dat alleen de Koran zelf bewaard zou moeten blijven voor de mens als leidraad voor het leven. Ikzelf ben voor deze zienswijze en heb, toen ik nog op facebook zat, in een groep gezeten van gelijkgestemden. Nadat ik de de Koran had gelezen in 1978 was ik overtuigd van de waarheid in dit mooie boek. Zelfs ging ik zover dat ik mij bekeerde tot de islam en al mijn boeken en spullen achterliet in het pand waar ik toen woonde. Ik nam alleen mijn Koran, mijn kleding en een matras mee. Een heel drastisch besluit. Later heb ik me verder verdiept in de islam en het soefisme. Ook heb ik diverse werken met hadith gekocht en gelezen, waaronder alle delen van Buchari. Sommige hadith vormen een bevestiging van wat ook in de Koran te lezen staat of daaruit afgeleid kan worden. Andere kan ik absoluut niet verenigen met wat ik in de diverse vertalingen van de Koran heb gelezen. De Koran heeft mij in 1978 overtuigd om mij te bekeren. Het gevoel dat ik toen had was een gevoel van herkenning en meeleven met hoe het moet zijn geweest voor de Profeet een zijn sahabas (metgezellen). De hadith, die ik veel later las, hebben daar voor mij nooit wat aan toegevoegd. Integendeel brachten deze me aan het twijfelen door hun hardvochtigheid, schijnbare afwezigheid van genade en vooral hun vrouwonvriendelijkheid. Dus dit artikel (misschien wil de lezer het ook lezen? Het is geschreven in het Engels) geeft mij een soort bevestiging voor mijn twijfel over de legitimiteit van de hadith. En dat is altijd fijn.

Minder fijn was de documentaire die ik gisteren zag over het leven als journalist en de uiteindelijke wrede dood van Jamal Khashoggi, ‘Kingdom of Silence‘. Ik zag hem via NLZIet en ik zie dat hij morgen pas wordt uitgezonden op tv. Het is een aanrader om ernaar te kijken en te huiveren voor de manipulaties en huichelarij, die in deze documentaire belicht worden. Ik zei laatst in een stukje dat ik het politieke inzicht heb van een pinda. Ik denk dat ik daar bewust voor heb gekozen. Ik kan er namelijk niet tegen om zoveel onrecht te zien. En dat zie ik, elke keer als ik me toch een beetje verdiep in machtsstructuren. Wat ik gisteren weer zag, bracht mij helemaal van slag.

Hoezo horen en zien we nog zo weinig van de genocide in Jemen, die tot op de dag van vandaag nog voortduurt. En hoezo is het westen dan vriendjes met een natie, die zich schuldig maakt aan oorlogsmisdaden van een gigantische omvang? In hoeverre worden de media gemanipuleerd om bepaalde dingen te verzwijgen? Is die olie dan zo belangrijk? Waar is de ethiek? Waar is het rechtvaardigheidsgevoel?

Dus beter kijk ik naar programma’s zoals ‘de Wasstraat’. Dat is tenminste positief. Dat gaat over iemand die moeite doet om mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan te helpen aan werk. En hij begeleidt hen daarbij ook nog heel goed. Een muggenzifter zou daarvan weer kunnen zeggen dat de baas van de wasstraat ook niet minder wordt van deze goedkope en dankbare arbeidskrachten. Maar dan kan je overal wel wat negatiefs over zeggen. Ik word er blij van dat er nog mensen rondlopen met een goed hart.

Van een gewenst Andalusië naar een mogelijk Andalusië

Vandaag wilde ik eigenlijk weer zelf iets schrijven, maar de waarheid is dat ik zo bitter weinig te vertellen heb. Ik ben dus klaar met de vertaling van het boek dat binnenkort zal uitkomen op Kobo en ik mag weer wat voor mezelf gaan doen. Mijn kwasten en aluminium palet staan klaar en ik heb wel drie lege canvassen, maar ik heb geen idee om te gaan schilderen en geen animo. Ik verzin van alles om daarmee niet te hoeven beginnen. En het hoeft natuurlijk ook helemaal niet. Ik klus wat door mijn dag heen en die is altijd zo om. ’s Nacht droom ik maffe dingen als dat ik een zwarte eend moet vangen en dan ben ik, zoals ik in mijn dromen gewend ben, nooit in een bekende omgeving. Gelukkig weet ik als ik wakker word dan wel weer waar ik ben. Ik kijk naar ‘de wasstraat’ op tv en lees een boek van Ammaniti. Ik heb ook een legpuzzel te leen gekregen van mijn zoon, maar die heeft 1000 stukjes en ik durf er niet aan te beginnen. Dus ik heb echt niks te vertellen. Daarom toch weer de vertaling van een artikel dat Ahmad schreef over de politieke situatie in Andalusië. En als ik dat lees, dan denk ik: zijn we niet allemaal gekolonialiseerden? Grote vis eet kleine vis…..

Dit is het originele stukje in een Andalusisch ‘portaal’ gepubliceerd en hier volgt mijn vertaling. Dit is trouwens geen stukje in de serie: Ahmad ‘vertelt over zijn leven’, maar zomaar een stukje, dat hij onlangs publiceerde in een weblog voor Andalusiërs.

De laatste tijd is er sprake van de derde golf van ‘Andalusisme’ en daar is veel discussie over op sociale netwerken. Men wil zijn krachten bundelen om een ​​politiek ontwerp op te bouwen dat Andalusië zal verdedigen tegen predatie en centralisme. Dit alles is lovenswaardig, maar het is niet voldoende, zoals ik zal proberen uit te leggen.

Ik geloof dat het verleden het heden heeft bepaald, maar de toekomst is alleen het resultaat van wat we doen of niet meer doen in het heden. Uit het verleden leren we dat Andalusië werd gekoloniseerd door de zogenaamde Castiliaanse en katholieke macht, een kolonisatie die een grote invloed had op de economie, de cultuur en de identiteit. Van een diversiteit aan geloofsovertuigingen (christelijk, mozarabisch, joods en moslim) en van gedachten in de tijd die voorafging aan deze verovering en kolonisatie, moest men overgaan op een culturele en religieuze uniformiteit. De werkenden, die altijd de basis zijn geweest van de economie, samen met de natuurlijke hulpbronnen, werden beroofd van hun manier van beheer en beslissen over hun goederen en hulpbronnen. Hun macht werd overgedragen aan een systeem dat gedomineerd en gecontroleerd werd door een koloniale aristocratie, waardoor de voordelen van hun economie naar buiten de grenzen van Andalusië konden worden verplaatst. En in die koloniale dynamiek bevinden we ons in Andalusië nog steeds, waarbij Madrid, als het centrum van de huidige macht, de ontvanger is van bovengenoemde voordelen.

Zo kunnen we verifiëren dat het radicale probleem van Andalusië veelvoudig is. Het bestaat uit het bezit en beheer van zijn natuurlijke hulpbronnen, de uitbuiting van zijn arbeidskrachten en de ontkenning van zijn identiteit en culturele waarden. Zoals Albert Memmi zegt in zijn Portret van de gekoloniseerden: ‘De gekoloniseerde voelt zich niet verantwoordelijk, schuldig of sceptisch; hij is gewoon buitenspel gezet. Maar hij blijft wel onderworpen aan zijn geschiedenis; hij moet leven met zijn last, die vaak wreder op hem drukt dan op anderen, maar daarbij is hij altijd het object. Hij verliest uiteindelijk de gewoonte om actief deel te nemen aan het verhaal, en hij eist het niet eens meer op. Naarmate de kolonisatie over een langere periode plaatsvindt, verliest hij zelfs de herinnering aan zijn vrijheid; hij vergeet wat deze kost of hij durft de prijs ervan niet te betalen. Hoe is anders te  verklaren dat een garnizoen van een paar mannen in een bergpost zich kan handhaven? Dat een handjevol vaak arrogante kolonisten kan leven te midden van een menigte van gekoloniseerden?’.

Rekening houdend met dat verleden, is het een illusie te denken dat we alleen al door zitting te nemen in een regering, hoe democratisch ook, de vele oorzaken die de ontwikkeling van onze mensen op alle gebieden blokkeren, zullen overwinnen. Om deze blokkade te doorbreken, is het nodig om het zelfrespect van het Andalusische volk te vergroten. Dat we gaan beseffen dat de werkenden, met hun creatieve en productieve capaciteit, hun technische en wetenschappelijke kennis, samen met de rijkdom aan grondstoffen en producten die het land te bieden heeft, de enigen zijn die horen te beslissen over hun welzijn en hun toekomst. Zonder een bewuste, vastberaden en georganiseerde sociale basis kunnen politieke partijen alleen dienen als figuranten of volgelingen van degenen die de ware macht beheersen. We hebben voorbeelden die heel recent zijn. Alleen al als we zien hoe de Junta de Andalucía de afgelopen veertig jaar werd bestuurd door de partij, die zichzelf ‘socialist en arbeider’ noemde.

Als we het hebben over de bourgeoisie en haar industriële revolutie, wordt vaak genegeerd dat, in tegenstelling tot Catalonië en Baskenland, in Andalusië het koloniale systeem de overhand heeft gehad. Daarbij was het belangrijk om de grondstoffen te winnen die bij ons rijkelijk te vinden waren (zoals in het gebied van de Rio Tinto). Het ging niet zozeer om de ontwikkeling van inheemse productiekrachten. Die realiteit blijft de mensen van Andalusië straffen en onze mensen dwingen te emigreren op zoek naar werk, voorheen als goedkope arbeidskrachten en tegenwoordig als gekwalificeerde arbeidskrachten, wat uiteindelijk dezelfde dynamiek is. En om de cirkel van afhankelijkheid te sluiten, werd onze kleine industrie (Hytasa, Intelhorce, de hoogovens, ijzergieterijen en staalfabrieken in Malaga[1], enzovoort) ontmanteld om ons afhankelijk te maken van de monocultuur van het toerisme. Onze politici van de Spaanse Socialisten en Arbeiderspartij, die veertig jaar lang de Andalusische regering hebben gecontroleerd, hebben niet de moeite genomen om een ​​industrie te promoten die onze landbouwproductie transformeert, die in staat is te concurreren in kwaliteit en prijs. De PSOE heeft dezelfde koloniale dynamiek gevolgd en elke strategische beslissing, die in Andalusië moet worden gevolgd, is altijd onderworpen geweest aan wat in Madrid werd besloten.

De oplossing is dus niet om verkiezingen te winnen en te gaan regeren, want als het Andalusische volk niet voldoende zelfrespect en zelforganisatie heeft in elke stad en elk dorp, zullen we doorgaan onder de laars blijven van de arrogante en autoritaire koloniale ‘heer’. Daarom moeten we de strategie van de mier toepassen: allemaal samen en beetje bij beetje, maar zonder te vergeten dat je, zoals Machado zei, je een weg baant door te lopen. En het belangrijkste is niet om het doel te bereiken, maar om onderweg te zijn en ons eten te delen met onze buren en vrienden.


[1] Akte te Brussel op 10 mei 1899, met maatschappelijke zetel te Marchienne-au-Pont en administratief en werkingsadres te Malaga. ‘Altos hornos de Málaga’, artikel door Cristóbal García Montoro in de krant “La Opinión de Málaga”.

Hoe is het nu in Spanje

We kunnen nu niet terug naar Ahmads stekkie in Alhaurin de la Torre, want er mag niet gereisd worden zonder noodzaak. En eerlijk is eerlijk, er is geen noodzaak. Maar is dat jammer? Hm, niet zo jammer. In het noorden van Spanje is het bitter koud en zucht men onder een dik pak sneeuw. En in Andalusië is het ook bitter koud, vooral in de nachten en aan de Costa del Sol is nu weinig sol maar heel veel regen.

Onze buurman daar, de kattenman, stuurde ons deze videobeelden.

Sociale en culturele beroering in Arrahal

Weer een stukje uit het leven van mijn wederhelft, wiens leven in niets lijkt op het mijne en met wie ik me toch zo verbonden voel. Dit is een persoonlijk verhaal, maar er zal ook nog een stukje geschiedenis volgen in latere stukjes. (Voor de liefhebbers daarvan, die er ook blijken te zijn.) Mij lijkt dat het geen kwaad kan om de sluiers, die de geschiedenis bedekken, te laten oplichten door een man, die zich daarin heeft verdiept. Toen ik vanmorgen in de digitale Volkskrant zag dat Ibn Khaldun werd geciteerd als een ‘Berberse’ filosoof, begreep ik dat enige geschiedkundige info geen kwaad kan.

Maar hier dus een stukje persoonlijke geschiedenis van de man van mijn leven.

Voor degenen die Spaans kunnen lezen weer het origineel:

In mijn dorp opende zich beetje bij beetje een sociaal-culturele omgeving waarin na verloop van tijd een toegewijde jeugd zou ontstaan ​​die opkwam voor hun rechten. Het Franco-regime, gepersonaliseerd in de priester, de commandant van de gemilitariseerde politiemacht van de Guardia Civil, de burgemeester, de rechter en de feitelijke bevoegdheden van het volk, bood de jeugd weinig meer perspectief dan een zeer conformistische traditie en manier van leven.

kerk van Vera Cruz

Een kleine groep jonge mensen had zich verzameld rond de kerk van Vera Cruz, een gebouw dat tijdens de burgeroorlog in vlammen was opgegaan. De vlammen vernietigden de afbeeldingen en schilderijen die erin stonden, maar hadden de structuur van het gebouw niet aangetast. Met veel werk slaagden we erin om de muren van de kerk te herstellen met verf en we maakten er een kartonnen plafond in. Op de plaats waar eens het altaar was, maakten we ​​ruimte voor een podium om toneelstukken te organiseren, lezingen te geven, enzovoort. Toen dit werk klaar was, ontstonden er een theatergroep, een bibliotheek en een ruimte voor ontmoetingen en dansavonden. De theatergroep speelde verschillende werken van Alvarez Quintero en Jacinto Benavente in dramatische stukken met flamenco- en Lorca-teksten.

Anderen van ons legden zich toe  het organiseren van activiteiten om het perspectief van de werkenden te verbeteren. Nadat ik de cursus voor tractorchauffeur had georganiseerd, sprak ik met de instructeurs. Ik wilde voor mezelf en mijn dorpsgenoten een cursus automonteur regelen, die werd gegeven door de organisatie Formación Profesional Obrera (F.P.O.). Omdat er een geschikte locatie beschikbaar was voor het geven de cursus, werd met dit plan ingestemd. De cursus werd gegeven in een magazijn dat voorheen een bioscoop was geweest.

Mijn vader wilde me eigenlijk niet aan de cursus laten deelnemen, omdat ik hem moest helpen met landbouwwerk. Want mijn broer vond, nadat hij het tractor-rijbewijs had behaald in de cursus die we al hadden gevolgd, een baan als chauffeur op de boerderij van een landeigenaar. Dus ik bleef alleen achter om mijn vader te helpen. Ik overtuigde mijn vader ervan dat ik deze cursus toch zou kunnen volgen, nadat ik op het veld had gewerkt. Elke ochtend pakte ik mijn fiets en reed 14 kilometer naar de land. Daar werkte ik de hele dag en fietste terug naar mijn huis. Daarna ging ik snel douchen, andere kleren aantrekken en de cursus volgen die om 19 uur begon en duurde tot 24 uur. Dan de volgende ochtend weer terug naar het veld, enzovoort, en dit zes maanden lang. Mijn benen werden als die van Popeye, de spinazie-eter.

Na het bezig zijn met de motoren en het vet, moest ik weer douchen, als mijn werkdag voorbij was. Toen de cursus in september begon, waren er dagen dat we allemaal peentjes zweetten, maar het was erg leerzaam voor mij, omdat ik altijd op zoek was naar iets dat ik kon leren. En zo is mijn leven altijd geweest, tot nu toe, tot en met de tweeënzeventig jaar die ik nu tel. Maar zoals een gezegde luidt in mijn land: ‘laat ze niet proberen deze dans van me af te nemen’.

Toegift, nog een vegetarisch recept: daal met rijst

Eigenlijk had ik zelf ook nog een vergetarisch recept uit de Pakistaanse keuken. Ik ben er gek op en wijlen mijn broer kon ik er ook heel blij mee maken. Het is erg gemakkelijk en snel te bereiden. Hier komtie.

Daal met rijst

rode linzen of rode daal

Ingrediënten: Rode linzen, ongeveer 300 gram, 3 kopjes basmati rijst, zout, rode chilipeper, koenjit, 2 kleine tomaten of 1 grote, 3 to 5 tenen knoflook, komijnzaadjes, olijfolie of roomboter (naar keus)

Doe de daal in een kookpan en was deze door enkele malen water erop te gieten en te laten weglopen tot het water wat helderder blijft. Zet de daal met ruim water op het vuur en laat deze aan de kook komen. Voeg zout toe en een halve theelepel koenjit en chilipoeder naar smaak. Zet intussen ook de rijst op in een rijstkoker of kook de rijst zoals je gewend bent.

Pel de knoflook en snipper deze in kleine stukjes. Was de tomaten en maal ze fijn in een keukenblender of gewoon met de staafmixer.

Als de daal kookt, zet je hem zacht en laat je hem pruttelen met de deksel erop tot je ziet dat hij gaar is. Dat is vrij snel, na een half uurtje wel. Zorg dat hij niet te droog wordt en niet gaat plakken aan de bodem tijdens het koken (dus wel af en toe even kijken en wat roeren en voeg zo nodig water toe). Als de daal gaar is en een beetje begint te springen en spatteren, voeg je de gemalen tomaten toe en laat je het geheel nog even op een nog kleiner pitje warm blijven en garen. Bak in tussen in een kleine koekenpan de komijnzaadjes in boter of olijfolie. De zaadjes mogen een beetje bruin worden, maar zeker niet te donker. Voeg dan de knoflook toe en laat deze ook bruinen. Niet te hoog vuur, want het gaat vrij rap en hier gaat het om de juiste bruining. Ook de knoflook mag wel bruin worden maar niet branden. Zodra het prutje van komijn en knoflook een ideale kleur en geur heeft, til je de deksel van de daal op en doe je het gebakken mengsel bij de daal.

Waarschijnlijk is je rijst intussen ook klaar. Opdienen dan maar. Heerlijk met wat sambal erbij of mangopickles van patak.

Echt een gemakkelijk gerecht, dat in een half uur bereid kan worden. Eenvoudig en lekker 😋

Ook te gebruiken als bijgerecht bij andere Pakistaanse gerechten. Restjes zijn goed te bewaren in de vriezer.

Vegetarische stoofpot van zwarte ogen bonen en groenten

Vandaag geen stukje van de ‘el Andaluz’, de verteller. Hij had het druk, omdat het zijn beurt was om te koken en hij is daarbij nog bezig met een glas in lood schemerlamp.Ik heb zelf geen nieuws, behalve dat ik weer boodschappen heb gedaan en dat ik gisteren mijn vertaling van ‘Andalusië als moederland’ heb afgekregen en al eenmaal helemaal heb doorgelezen en nagekeken. Het boek is nu bij Ahmad om na te kijken. Hij kan het met de vertaalmachine van ‘Vertalen Nu’ in zijn eigen taal nalezen en dan controleren of ik alles wat hij wilde zeggen wel begrepen heb. Want ik heb het politieke en geschiedkundige inzicht van een pinda. Ik heb 0,0 verstand van politiek, geschiedenis en geldzaken.

Om toch weer wat leuks en mogelijk interessants te delen heb ik hier het recept van het gerecht dat hij vandaag maakte. Ik moet zeggen dat ik steeds meer neig naar het genieten van gerechten zonder vlees. Zelf ben ik iemand, die tot op heden weinig recepten van vleesloze gerechten kende. Ik ben gewend Pakistaans/Afghaans eten te bereiden en die keuken bevat veel vleesgerechten. Evenals de Indonesich/Javaanse keuken en de paar Nederlandse schotels die ik ken.

Vegetarische stoofschotel van zwarte oog bonen

Ingrediënten: vijf handen vol zwarte ogen bonen, een stuk pompoen, een rode puntpaprika, een stuk winterwortel, een handvol sperciebonen, een paar tenen knoflook, een hele bol knoflook ongeschild, een stuk knolselderie, 3 laurierblaadjes, een paar kruidnagels, zoete paprikapoeder, chilipoeder, gemalen komijn, zout, olijfolie.

Bereiding

Zet de zwarte ogen bonen een dag van te voren in een ruime hoeveelheid warm water met wat zout te week.

Een dag later: Pel drie tenen knoflook een snipper deze in kleine stukjes, was de rode paprika en ontdoe deze van de zaadjes en zaadlijsten en snijdt deze ook in stukjes, schil de ui en snipper deze ook in kleine stukjes.

Fruit de knoflook in olijfolie tot deze goudbruin ziet en voeg dan de ui toe, laat de ui fruiten tot deze lichtbruin meekleurt en doe daarbij de in stukjes gesneden rode paprika. Fruit de rode paprika enkele minuten mee en voeg dan een theelepel zoete paprika toe. Laat heel even meefruiten, maar het mag niet verbranden.

Voeg dan ruim water toe (eventueel voorgekookt) en doe daarbij de geweekte bonen. Snijdt het stuk pompoen, ontdaan van de schil in stukjes en voeg deze toe, eveneens een stuk peen, in stukjes gesneden en de spercieboontjes, gewassen en in stukjes gesneden. Voeg voor de maak een stuk knolselderie toe, waarin je een paar kruidnagels hebt geprikt. Voeg ook een hele bol knoflook toe met schil en al (nadat je eerst de los zittende schilletjes hebt verwijderd en de bol hebt gewassen). Voeg de laurierblaadjes toe. Voeg zout naar smaak toe en een beetjes chilipoeder en ook een halve theelepel komijnpoeder. Laat alles, eenmaal aan de kook, op een zacht vuur gaar pruttelen. Reken erop dat deze stoofschotel wel anderhalf uur moet pruttelen op zacht vuur om de bonen goed gaar te krijgen.

Opdienen met stokbrood dat even in de oven is gezet voor een knapperige beet.

Ik verzeker je dat je smult van dit simpele en voedzame gerecht.

Een onzichtbare toekomst

Sorry lezer, hier toch weer een stukje in de serie ‘Ahmad vertelt’. Het wordt nu, wat mij betreft, interessanter. Omdat hij het niet langer over droge geschiedkundige feiten heeft van bijna 2 millennia terug, maar over zijn eigen leven als werkende en autodidact. Wat hij schrijft heeft ook alles met mij te maken. Omdat het duidelijk zal maken waarom ik zo gek ben op mijn lieve, dappere en eigenwijze autodidact.

Hier weer het origineel

En hier mijn vertaling:

De jonge mensen in mijn dorp zagen voor zichzelf geen toekomst op het platteland. Maar het was het was voor de meesten van ons ook niet veelbelovend om naar de grote steden te emigreren, omdat we niet voldoende onderwijs hadden. Slechts een minderheid van de kinderen kon hoger onderwijs volgen, want dat was kostbaar voor de kinderen van de boeren en dagloners. Ik had graag landbouwkunde willen studeren, maar mijn vader had me nodig om op het land te werken.

Elke ochtend gingen we naar de velden om te werken, met de muilezels opgetuigd en beladen met landbouwwerktuigen. Vaak ontmoetten we andere boeren uit Paradas en ze begroetten ons altijd met de woorden: ‘tot de vrede van God, broeder’. Ik hield van die begroeting. Later kwam ik erachter dat dit ‘assalamu alaikum, broer’ betekent. De woorden zijn dus een moorse erfenis. Ik was één van de vele jonge mensen uit ons dorp, die zijn ouders vergezelde en hielp bij landbouwwerk. Het was nog in de tijd dat de meerderheid van ons het land bewerkte volgens traditioneel gebruik, met dieren als arbeidskrachten. De rijksten onder ons waren al begonnen met het gebruik van tractoren en andere machines. Dat is de reden dat we voelden dat we geen toekomst hadden met ons werk op het land en dat er voor ons geen toekomst was weggelegd in onze dorpen.

Omdat ik nooit rust in me had en altijd iets nieuws wilde leren, woonde ik bijeenkomsten bij die werden gehouden in het huis van een priester, met andere jonge mensen uit de stad. We maakten deel uit van een groep katholieke landbouw- en plattelandsjongeren. Er waren weinig mogelijkheden voor jonge mensen zoals wij. Je had alleen de bars om alcohol te drinken, de bioscopen of je kon wandelen op het dorpsplein. Dus zochten we naar onze eigen manieren om plezier te hebben, maar ook wilden we graag wat leren en zochten we naar andere toekomstmogelijkheden.

Omdat ik het het gebrek aan perspectief van mijzelf en mijn mededorpsgenoten inzag, pakte ik op een dag mijn fiets en ging naar het stadje Marchena op een afstand van twintig kilometer. Er was een officiële instantie, de Agrarische Kamer, en ik nam contact op met de verantwoordelijke experts. Ik vroeg hen om informatie over cursussen voor jongeren op het platteland en zij vertelden mij dat het mogelijk was om een cursus te organiseren voor het leren besturen van een tractor. Zoals ze mij hadden geadviseerd, vroeg ik hen om de formaliteiten te regelen voor het realiseren deze cursus. Enkele maanden later lieten ze me weten dat het de cursus was goedgekeurd

We begonnen de cursus met een twintigtal jonge mensen. We hadden in die cursus tractoren, aanhangwagens, ploegen en alles wat we nodig hadden om met machines te kunnen werken. Ze leerden ons zelfs werken met een maaidorser, een machine die kon maaien, dorsen en wannen. Werk waar voorheen 5 mannen voor nodig waren gedurende een week werken, deed de maaidorser in één dag. Hoe zou het dan mogelijk zijn om via handwerk te concurreren met de mechanisatie op het veld? En daarbij zou nog het gebruik van chemicaliën komen: compost, insecticiden, herbiciden, enzovoort.

Met het tractor-rijbewijs kon men in die tijd nog een aanvraag voor een autorijbewijs indienen. Die werd dan behandeling genomen en ingewilligd na een korte rijtest. Voor veel jonge mensen betekende het tractor-rijbewijs dat hun werk op het veld werkelijk gemoderniseerd werd. Velen van hen gingen met dat diploma werken als tractorchauffeur, hetzij op hun eigen terrein, hetzij als loonarbeider. Mijn vader had geen geld voor moderne landbouwmachines en bleef zijn werk op de oude manier doen. Omdat ik een rebel was, verwachtte ik voor mezelf in mijn toekomst andere taken, hoewel die toekomst voor mij onzichtbaar was.